hecht zijn goedkeuring aan de notulen van zijn vergadering van 17.11.2025.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur (artikel 249–275);
Het Provinciedecreet van 9 december 2005 (artikel 141-164);
Het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale en provinciale besturen;
Het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2023 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale en de provinciale besturen;
Het ministerieel besluit van 26 juni 2018 tot vaststelling van de modellen en de nadere voorschriften van de beleidsrapporten, de rekeningenstelsels en de digitale rapportering van de beleids- en beheerscyclus van de lokale en provinciale besturen;
Het ministerieel besluit van 8 december 2023 tot wijziging van het ministerieel besluit van 26 juni 2018 tot vaststelling van de modellen en de nadere voorschriften van de beleidsrapporten, de rekeningenstelsels en de digitale rapportering van de beleids- en beheerscyclus van de lokale en de provinciale besturen;
De omzendbrief KBBJ/ABB 2025/1 gepubliceerd met richtlijnen voor de opmaak van de strategische meerjarenplannen 2026–2031;
Het gunstig advies van het managementteam d.d. 1 december 2025;
Het principieel akkoord van het Vast Bureau d.d. 1 december 2025;
Het principieel akkoord van het college van burgemeester en schepenen d.d. 1 december 2025;
De vaststelling van het gedeelte van het O.C.M.W. door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn d.d. 15 december 2025.
De nieuwe bestuursperiode vereist een strategisch meerjarenplan 2026–2031 dat start in het tweede jaar na de verkiezingen en loopt t.e.m. 2031.
Er werd een intensief traject doorlopen met het managementteam, het college van burgemeester en schepenen/Vast Bureau en medewerkers van tal van diensten. Vertrokken werd vanuit een omgevingsanalyse en bestuurskrachtanalyse, met uitwerking van missie en visie. Deze stukken zijn bij het agendapunt als bijlage opgenomen.
Het ontwerp is voorbereid en dient ter goedkeuring aan de gemeenteraad en raad voor maatschappelijk welzijn te worden voorgelegd, zodat op 1 januari 2026 uitvoerbare kredieten beschikbaar zijn en de digitale rapportering aan ABB kan gebeuren.
Het geïntegreerde meerjarenplan bestaat uit een strategische nota, financiële nota (M1–M2–M3) en toelichting. De strategische nota bevat de 11 kerncijfers in de beleidsverklaring; M3 bevat de kredieten. Zolang gemeente en OCMW aparte rechtspersonen zijn, worden kredieten per entiteit vastgesteld.
Daarnaast werd volgende documentatie voorzien:
4.1 Missie en visie
4.2. Omgevingsanalyse (interne analyse, externe analyse, bestuurskrachtanalyse)
4.3 Volledige doelstellingenboom met actieplannen, acties, en bijhorende bedragen (incl exploitatie, investeringen, financiering)
4.4 Samenstelling beleidsdomeinen
4.5 Uitgaven en ontvangsten per beleidsveld
4.6 Overzicht belastingen met jaarlijkse opbrengst per belasting
4.7 Overzicht retributies met jaarlijkse opbrengst per retributie
4.8 Toegestane werkings- en investeringssubsidies van hogere overheden
Het managementteam adviseerde het meerjarenplan gunstig d.d. 1 december 2025.
Artikel 1
Het strategisch meerjarenplan 2026–2031 met bijhorende strategische beleidsnota, financiële nota en toelichting, opgemaakt volgens de principes van de beleid- en beheerscyclus, dat betrekking heeft op de gemeente goed te keuren.
Artikel 2
Geeft goedkeuring aan het strategisch meerjarenplan 2026–2031 met betrekking tot het deel van het O.C.M.W. zoals goedgekeurd door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn d.d. 15 december 2025.
Artikel 3
Het strategisch meerjarenplan 2026–2031 op de wettelijk voorziene wijze bekend te maken en ter inzage van het publiek te leggen.
Artikel 4
Afschriften van deze beslissing met bijlagen voor goedkeuring over te maken aan de Vlaamse Regering en aan de provinciegouverneur van Antwerpen.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur (artikel 249–275);
Het Provinciedecreet van 9 december 2005 (artikel 141-164);
Het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale en provinciale besturen;
Het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2023 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale en de provinciale besturen;
Het ministerieel besluit van 26 juni 2018 tot vaststelling van de modellen en de nadere voorschriften van de beleidsrapporten, de rekeningenstelsels en de digitale rapportering van de beleids- en beheerscyclus van de lokale en provinciale besturen;
Het ministerieel besluit van 8 december 2023 tot wijziging van het ministerieel besluit van 26 juni 2018 tot vaststelling van de modellen en de nadere voorschriften van de beleidsrapporten, de rekeningenstelsels en de digitale rapportering van de beleids- en beheerscyclus van de lokale en de provinciale besturen;
De omzendbrief KBBJ/ABB 2025/1 gepubliceerd met richtlijnen voor de opmaak van de strategische meerjarenplannen 2026–2031;
Het gunstig advies van het managementteam d.d. 1 december 2025;
Het principieel akkoord van het Vast Bureau d.d. 1 december 2025;
Het principieel akkoord van het college van burgemeester en schepenen d.d. 1 december 2025;
De vaststelling van het gedeelte van het O.C.M.W. door de raad voor maatschappelijk welzijn d.d. 15 december 2025;
De goedkeuring van de vaststelling van het O.C.M.W. door de raad voor maatschappelijk welzijn d.d. 15 december 2025;
De vaststelling van het gedeelte van de gemeente door de gemeenteraad d.d. 15 december 2025.
De nieuwe bestuursperiode vereist een strategisch meerjarenplan 2026–2031 dat start in het tweede jaar na de verkiezingen en loopt t.e.m. 2031.
Er werd een intensief traject doorlopen met het managementteam, het college van burgemeester en schepenen/Vast Bureau en medewerkers van tal van diensten. Vertrokken werd vanuit een omgevingsanalyse en bestuurskrachtanalyse, met uitwerking van missie en visie. Deze stukken zijn bij het agendapunt als bijlage opgenomen.
Het ontwerp is voorbereid en dient ter goedkeuring aan de gemeenteraad en raad voor maatschappelijk welzijn te worden voorgelegd, zodat op 1 januari 2026 uitvoerbare kredieten beschikbaar zijn en de digitale rapportering aan ABB kan gebeuren.
Het geïntegreerde meerjarenplan bestaat uit een strategische nota, financiële nota (M1–M2–M3) en toelichting. De strategische nota bevat de 11 kerncijfers in de beleidsverklaring; M3 bevat de kredieten. Zolang gemeente en OCMW aparte rechtspersonen zijn, worden kredieten per entiteit vastgesteld.
Daarnaast werd volgende documentatie voorzien:
4.1 Missie en visie
4.2. Omgevingsanalyse (interne analyse, externe analyse, bestuurskrachtanalyse)
4.3 Volledige doelstellingenboom met actieplannen, acties, en bijhorende bedragen (incl exploitatie, investeringen, financiering)
4.4 Samenstelling beleidsdomeinen
4.5 Uitgaven en ontvangsten per beleidsveld
4.6 Overzicht belastingen met jaarlijkse opbrengst per belasting
4.7 Overzicht retributies met jaarlijkse opbrengst per retributie
4.8 Toegestane werkings- en investeringssubsidies van hogere overheden
Het managementteam adviseerde het meerjarenplan gunstig d.d. 1 december 2025.
Artikel 1
Het strategisch meerjarenplan 2026–2031 met bijhorende strategische beleidsnota, financiële nota en toelichting, opgemaakt volgens de principes van de beleid- en beheerscyclus , dat betrekking heeft op gemeente en O.C.M.W., goed te keuren.
Artikel 2
Het strategisch meerjarenplan 2026–2031 op de wettelijk voorziene wijze bekend te maken en ter inzage van het publiek te leggen.
Artikel 4
Afschriften van deze beslissing met bijlagen voor goedkeuring over te maken aan de Vlaamse Regering en aan de provinciegouverneur van Antwerpen.
De Grondwet, artikel 170 §4.
Het Wetboek Inkomstenbelastingen van 10 april 1992, artikel 465 tot en met 470bis.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
Het Decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit; Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
De omzendbrief KB ABB 2019/2 over de gemeentefiscaliteit.
Op 31 december 2025 verstrijkt de heffingsduur van de belasting op de aanvullende personenbelasting vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2019.
De financiële toestand van de gemeente vergt om die redenen de invoering van alle rendabele belastingen.
De belastingen zijn opgenomen in het meerjarenplan om aan de voorwaarden tot het bereiken van het financieel evenwicht te voldoen zoals bepaald in het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen.
De Vlaamse regering bestraft elke gemeente onder 5,0% personenbelasting via het gemeentefonds. Dit kost ons jaarlijks circa 12.000 euro.
FINANCIËN
De budgetcode is GBB-FIN/0020-00/7301000 “Aanvullende belasting op de personenbelasting”.
Artikel 1. Heffingstermijn – belastbaar feit - belastingplichtige
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een aanvullende belasting gevestigd ten laste van de rijksinwoners die belastbaar zijn in de gemeente op 1 januari van het aanslagjaar.
Artikel 2. Berekeningsgrondslag en tarief
De belasting wordt vastgesteld op 5,00% van het overeenkomstig artikel 466 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 berekende grondslag voor hetzelfde aanslagjaar. Deze belasting wordt gevestigd op basis van het inkomen dat de belastingplichtige heeft verworven in het aan het aanslagjaar voorafgaande jaar.
Artikel 3. Verwijzingsregel
De vestiging en de inning van de gemeentelijke aanvullende belasting worden toevertrouwd aan de administratie der directe belastingen, zoals bepaald in artikel 469 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen.
Artikel 4. Inwerkingtreding en bekendmaking
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De grondwet, artikel 170 §4.
Het wetboek Inkomstenbelastingen van 10 april 1992, artikel 464/1, 1°.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
Het decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, artikel 2.1.4.0.2 en artikel 3.1.0.0.4.
Het decreet van 18 november 2016 houdende de vernieuwde taakstelling en gewijzigde financiering van de provincies.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
De omzendbrief KB ABB 2019/2 over de gemeentefiscaliteit van 15 februari 2019.
Op 31 december 2025 verstrijkt de heffingsduur van de belasting opcentiemen op de onroerende voorheffing vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2019.
De financiële toestand van de gemeente vergt om die redenen de invoering van alle rendabele belastingen.
De belastingen zijn opgenomen in het meerjarenplan om aan de voorwaarden tot het bereiken van het financieel evenwicht te voldoen zoals bepaald in het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen.
FINANCIËN
Budgetcode GBB-FIN/0020-00/7300000 “Opcentiemen op de onroerende voorheffing”
Artikel 1. Heffingstermijn – belastbaar feit
Er worden, voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031, ten bate van de gemeente 795 opcentiemen geheven op de onroerende voorheffing.
Artikel 2. Vestiging en wijze van inning
De vestiging en de inning van de gemeentebelasting gebeuren door toedoen van de Vlaamse Belastingdienst.
Artikel 3. Inwerkingtreding en bekendmaking
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Het Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, en latere wijzigingen, meer bepaald artikel 2.6.6.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, dat het Vlaams Gewest toelaat een heffing op te leggen op leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten;
artikels 41, 42 en 43 van het decreet van 22 december 2017 betreffende het lokaal bestuur;
Gezien de gemeente inspanningen doet om de leegstand van bedrijfsruimten in kaart te brengen en er een tekort is aan bedrijfsruimten in de gemeente Aartselaar is het wenselijk dat de gemeente Aartselaar opcentiemen heft op deze gewestelijke heffing, met het oog op het activeren van leegstaande of verwaarloosde bedrijfsruimten op haar grondgebied.
De gemeente Aartselaar wenst, in het kader van haar fiscale autonomie, voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 opcentiemen te heffen op de gewestelijke belasting op leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, zoals bepaald in artikel 2.6.6.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Deze maatregel heeft tot doel bijkomende gemeentelijke inkomsten te genereren en bij te dragen aan het terugdringen van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten.
Gezien de gemeente inspanningen levert om de leegstand van bedrijfsruimten op haar grondgebied in kaart te brengen, en er bovendien een tekort is aan beschikbare bedrijfsruimten, acht het bestuur het wenselijk opcentiemen te heffen op deze gewestelijke heffing. Dit met het oog op het activeren en hergebruiken van leegstaande of verwaarloosde bedrijfsruimten. De inning van de opcentiemen wordt toevertrouwd aan de Vlaamse Belastingdienst, conform de bestaande afspraken.
FINANCIËN
Budgetcode: GBB-FIN/0020-00/7305000
Artikel 1
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 worden er 150 opcentiemen geheven ten voordele van de gemeente Aartselaar op de gewestelijke heffing op leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, zoals bedoeld in artikel 2.6.6.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.
Artikel 2
De gemeente Aartselaar doet een beroep op de Vlaamse Belastingdienst voor de inning van deze opcentiemen, conform de afspraken tussen de gemeente en de Vlaamse overheid.
Artikel 3
Een afschrift van dit reglement wordt ter kennisgeving bezorgd aan de Vlaamse Belastingdienst.
De Grondwet, artikel 170 §4.
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, zoals laatst gewijzigd.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
De omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit.
Door de stijging van de energie- en grondstoffenprijzen wordt de gemeente getroffen door een explosieve stijging van de gemeentelijke loonkosten. De stijging van de inflatie wordt snel doorgerekend via het principe van automatische loonindexering.
Een belangrijke leasingmaatschappij gaf aan te verhuizen naar een andere gemeente. Daardoor dreigt de gemeente heel wat inkomsten uit opcentiemen op motorrijtuigen te zien verdwijnen, wat aanzienlijke gevolgen heeft voor de gemeentelijke financiën.
Daarenboven, door de belastinghervormingen van de federale regering, wordt algemeen aangenomen dat de inkomsten van de gemeentebelasting op de aanvullende personenbelasting zullen dalen. Ook de verdere elektrificatie van het voertuigenpark en de daarmee gepaard gaande huidige vrijstelling van verkeersbelastingen zal een impact hebben op het gemeentelijk aandeel in de verkeersbelastingen.
De verhoging van deze kosten en de vermindering van de inkomsten veroorzaken een enorme druk op de meerjarenplanning waardoor het voor de gemeente noodzakelijk is om bijkomende inkomsten te zoeken om de huidige kwalitatieve dienstverlening te blijven leveren. Daarom is het billijk om deze belasting te heffen.
Verder is er de wens van het lokaal bestuur om met de invoering van deze algemene gemeentebelasting op bedrijven ook meteen ter compensatie enkele andere belastingen op bedrijven te schrappen: de belasting op drijfkracht en de belasting op masten en pylonen.
De algemene gemeentebelasting voor de bedrijven is gebaseerd op een meetbare grondslag, namelijk de oppervlakte die bedrijven, zelfstandigen of beoefenaars van een vrij beroep gebruiken of ter beschikking hebben.
De eerste 100 m² zijn vrijgesteld om de lokale middenstand en kleinere zelfstandigen te ondersteunen.
De gemeente heeft de kwalitatieve dienstverlening hoog in het vaandel staan. Daarenboven, door de uiterst gunstige ligging en infrastructuur, is onze gemeente gegeerd door de bedrijven. Dit betekent dat deze infrastructuur in stand gehouden moet worden. Hierdoor is een gedifferentieerd tarief op basis van de oppervlakte verdedigbaar, omdat industriegronden in onze gemeente schaars zijn geworden en dat het opportuun is de bedrijven en in het bijzonder de grote ruimtegebruikers, aan te moedigen zuinig met de nog beschikbare ruimte om te springen.
De verhoging van deze kosten en de vermindering van de inkomsten veroorzaken een enorme druk op de meerjarenplanning waardoor het voor de gemeente noodzakelijk is om bijkomende inkomsten te zoeken om de huidige kwalitatieve dienstverlening te blijven leveren.
Daarenboven was de gemeente Aartselaar een van de weinige gemeenten die zo'n algemene bedrijfsbelasting niet hanteerde. Twee andere belastingen voor bedrijven worden geschrapt, namelijk de belasting op drijfkracht en de belasting op masten en pylonen.
De belastingen zijn opgenomen in het meerjarenplan om aan de voorwaarden tot het bereiken van het financieel evenwicht te voldoen zoals bepaald in het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen.
FINANCIËN
Budgetcode: GBB-FIN/0020-00/7340000 “Algemene bedrijfsbelasting”
Artikel 1 - Heffingstermijn
Met ingang van 1 januari 2026 voor een periode eindigend op 31 december 2031 wordt een jaarlijkse algemene gemeentebelasting op de bedrijven gevestigd.
De belastbare toestand, zowel inzake tewerkstelling alsook oppervlakte, is deze per 1 januari van het aanslagjaar.
De belasting is ondeelbaar en voor het hele jaar verschuldigd.
De stopzetting of vermindering van de activiteit, alsook de vermindering van de oppervlakte in de loop van het aanslagjaar, geven geen aanleiding tot vermindering van de belasting.
Artikel 2 - Definities
Een belastbare vestiging is elke oppervlakte die voor beroeps- of bedrijfsdoeleinden is bestemd of in het kader van beroeps- of bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt, tot gebruik is voorbehouden of bijdraagt tot de realisatie/uitvoering van de beroeps- of bedrijfsdoeleinden.
Onder een oppervlakte wordt het volgende verstaan: elk (gedeelte van een) onroerend goed, elke lokaliteit of ruimte onder gelijk welke vorm en die individueel of collectief worden gebruikt of kunnen gebruikt worden, met inbegrip van de plaats of het adres waarop een maatschappelijke of administratieve zetel gevestigd is.
Onder "gebruik" moet elke vorm van gebruik worden verstaan, met inbegrip van onder meer het gebruik als (toegangs-)weg, parking, plantsoen, grasstrook, groenzone, vijver, sportterrein, laad-, los- of stortplaats, opslag- of overslagruimte, bufferzone, weiland, conciërgewoning. Deze opsomming is niet limitatief.
Artikel 3 - Belastingplichtige
§1 De belasting wordt gevorderd van:
1° elke natuurlijke persoon die in hoofd- of bijberoep een zelfstandige beroepswerkzaamheid uitoefent of die een of meerdere daden heeft gesteld die de uitoefening van een zelfstandige beroepswerkzaamheid toelaten, kunnen toelaten of doen vermoeden en die op 1 januari van het aanslagjaar op het grondgebied van de gemeente Aartselaar een of meerdere vestigingen heeft, gebruikt voor de uitoefening van de zelfstandige beroepswerkzaamheid of voorbehouden tot het gebruik voor de (mogelijke) uitoefening van de (een) zelfstandige beroepswerkzaamheid.
De natuurlijke persoon, die uit hoofde van zijn zelfstandige beroepswerkzaamheid uitsluitend optreedt als werkend vennoot of als bestuurder in een vennootschap, wordt niet als belastingplichtig beschouwd in de zin van art. 3, §1, eerste lid van dit reglement.
2° elke rechtspersoon naar Belgisch of buitenlands recht onderworpen aan de vennootschapsbelasting, inclusief de rechtspersoon die in vereffening is gesteld, en die op 1 januari van het aanslagjaar op het grondgebied van de gemeente Aartselaar een of meerdere vestigingen heeft, door voornoemde rechtspersoon gebruikt of tot zijn gebruik voorbehouden.
De rechtspersonen vermeld in de artikelen 180 tot en met 182 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 zijn niet belastingplichtig in de zin van art. 3, §2, eerste lid van dit reglement.
3° elke rechtspersoon naar Belgisch of buitenlands recht die een winstoogmerk heeft, maar niet onderworpen is aan de vennootschapsbelasting, inclusief de rechtspersoon die in vereffening is gesteld en die op 1 januari van het aanslagjaar op het grondgebied van de gemeente Aartselaar een of meerdere vestigingen heeft, door voornoemde rechtspersoon gebruikt of tot zijn gebruik voorbehouden.
De rechtspersonen vermeld in de artikelen 180 tot en met 182 van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn niet belastingplichtig in de zin van art. 3, §3, eerste lid van dit reglement.
4° Een inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO), maatschappelijke zetel en/of vestigingseenheid, op een bepaald adres in de gemeente wordt gelijkgesteld en dus belastbaar.
§2 Elke belastingplichtige is de belasting verschuldigd per afzonderlijke vestiging hoe ook genoemd, die door hem/haar wordt gebruikt of tot gebruik wordt voorbehouden en op het grondgebied van de gemeente Aartselaar is gelegen.
Elke belastingplichtige, vermeld in artikel 3, wordt geacht over een belastbare vestiging te beschikken, waarvoor minstens de minimumbelasting verschuldigd is.
Eén vestiging kan voor verschillende belastingplichtigen tegelijkertijd ter beschikking zijn.
Een belastbare vestiging is elke oppervlakte die voor beroeps- of bedrijfsdoeleinden is bestemd of in het kader van beroeps- of bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt, tot gebruik is voorbehouden of bijdraagt tot de realisatie/uitvoering van de beroeps- of bedrijfsdoeleinden.
Onder oppervlakte wordt het volgende verstaan: elk (gedeelte van een) onroerend goed, elke lokaliteit of ruimte onder gelijk welke vorm en die individueel of collectief worden gebruikt of kunnen gebruikt worden, met inbegrip van de plaats of het adres waarop een maatschappelijke of administratieve zetel gevestigd is.
Onder "gebruik" moet elke vorm van gebruik worden verstaan, met inbegrip van onder meer het gebruik als (toegangs-)weg, parking, plantsoen, grasstrook, groenzone, vijver, sportterrein, laad-, los- of stortplaats, opslag- of overslagruimte, bufferzone, weiland, conciërgewoning. Deze opsomming is niet limitatief.
Om belastbaar te zijn, volstaat het dat een oppervlakte eventueel (nog) kan gebruikt worden, ook al wordt deze oppervlakte op 1 januari van het aanslagjaar niet effectief gebruikt (vb. braakliggende of woeste gronden, improductieve oppervlakte, oppervlakte zonder economisch rendabel nut of gebruik). Deze opsomming is niet limitatief.
Aan elkaar grenzende oppervlakten worden als één vestiging beschouwd, op voorwaarde dat deze oppervlakten niet van elkaar gescheiden zijn door een openbare weg of een openbare waterloop. Twee of meer oppervlakten met elkaar verbonden door het bestaan van een wettelijk toegekende wegvergunning, worden beschouwd als één enkele vestiging.
Met wegvergunning wordt bedoeld: een vaste en duurzame constructie onder, op of boven de openbare weg en/of openbare waterloop (bv. tunnel, overbrugging).
Indien de vestiging zich uitstrekt op het grondgebied van verschillende gemeenten dan treft de belasting enkel het gedeelte gelegen op het grondgebied van de gemeente Aartselaar.
Voor de vaststelling van de belastbare oppervlakten wordt rekening gehouden met de som van de oppervlakten van alle kadastrale percelen bestemd of ingenomen voor gebruik.
Een belastingplichtige van wie de beroeps- of bedrijfsdoeleinden uitsluitend een ambulant karakter hebben, heeft een belastbare vestiging op het adres van zijn/haar in de gemeente Aartselaar gelegen verblijfplaats (waar in het kader van de beroeps- of bedrijfsdoeleinden de opslag van goederen of materiaal, de voorbereiding, de planning, de organisatie de administratieve ondersteuning of het beheer in de ruimste zin gebeuren of kunnen gebeuren).
§3 De belasting wordt vastgesteld rekening houdend met de totale belastbare bebouwde en/of onbebouwde oppervlakte van het goed waarop de vestiging zich bevindt.
Voor de vaststelling van de belastbare bebouwde oppervlakte van het goed waarop de vestiging zich bevindt, wordt in voorkomend geval de oppervlakte gemeten van elk ondergrondse en bovengrondse bouwlaag met inbegrip van de buitenmuren, evenals van het gebruikte of tot gebruik aan te wenden dak, doch met uitsluiting van het gedeelte dat uitsluitend als woongelegenheid van de belastingplichtige - natuurlijke persoon - wordt gebruikt.
De oppervlakte die gemeenschappelijk door meerdere belastingplichtigen gebruikt wordt of ter beschikking is, wordt in hoofde van iedere belastingplichtige belast pro rata van de door hem/haar exclusief gebruikte of ter beschikking zijnde gebouwde en ongebouwde oppervlakten.
Indien de gemeenschappelijke oppervlakte eveneens gebruikt wordt door, of ter beschikking is van niet-belastingplichtigen, dan wordt bij de vaststelling van de belastbare oppervlakte het gedeelte van de gemeenschappelijke oppervlakte dat pro rata kan worden toegewezen aan niet-belastingplichtigen in mindering gebracht.
Artikel 4 – Berekeningsgrondslag en tarieven
Het bedrag van de verschuldigde belasting wordt als volgt bepaald:
• Voor vestigingen met een oppervlakte tot en met 100 m²: vrijgesteld
• € 0,45 per m² voor het gedeelte van 101 m² tot en met 200m²
• € 0,50 per m² voor het gedeelte van 201 m² tot en met 1.000 m²
• € 0,55 per m² voor het gedeelte van 1.001 m² tot en met 5.000 m²
• € 0,60 per m² voor het gedeelte van 5.001 m² tot en met 10.000 m²
• € 0,65 per m² voor het gedeelte van 10.001 m² tot en met 50.000 m²
• € 0,70 per m² voor het gedeelte vanaf 50.001 m²
De fractie van 1 m² wordt als 1 m² beschouwd.
Artikel 5 - jaarlijkse indexering
De bedragen zoals bepaald in artikel 4 § 1 worden jaarlijks aangepast aan de consumptie-index (basis december 2025).
Ze worden op 1 januari van ieder jaar aangepast aan de index van de maand december van het voorgaande jaar volgens de formule:
R x I
i
Waarbij:
R = tarief vastgesteld in artikel 4
I = index van de maand december van het voorgaande jaar
i = index van de maand december 2025 (basis december 2025)
De jaarlijkse indexering gaat in vanaf aanslagjaar 2027.
Artikel 6 – Vrijstellingen
§1 Volgende economische activiteiten zijn vrijgesteld van de algemene bedrijfsbelasting
• agrarisch bedrijf: een bedrijf waarvan de werkzaamheden uitsluitend bestaan uit landbouw en/of tuinbouw;
• Landbouw- en/of tuinbouwoppervlakte: oppervlakte voor landbouw en/of tuinbouw;
• Serre: elke duurzame constructie die uitsluitend gebruikt wordt of bestemd is voor de tuinbouwteelt;
• Sportgerelateerde vereniging
§2 Voor de begrippen van artikel 6 §1 gelden volgende bepalingen
• Landbouw: een zelfstandige beroeps- of bedrijfsactiviteit gericht op akkerbouw en/of weidebouw en/of bosbouw en/of veeteelt;
Voor de hierboven vermelde begrippen gelden volgende bepalingen:
• akkerbouw: een zelfstandige beroeps- of bedrijfsactiviteit gericht op het telen van granen, nijverheidsgewassen, voedergewassen, aardappelen, peulvruchten, pootgoed, landbouwzaden en/of aanverwante gewassen;
• weidebouw: een zelfstandige beroeps- of bedrijfsactiviteit gericht op het exploiteren van blijvend grasland;
• bosbouw: een zelfstandige beroeps- of bedrijfsactiviteit gericht op het aanleggen en exploiteren van bossen, met inbegrip van de bosboomkwekerij;
• veeteelt: een zelfstandige beroeps- of bedrijfsactiviteit gericht op het houden van dieren voor de vlees-, melk- of eierproductie en/of het kweken/fokken van dieren voor de vacht of het bekomen van jongen.
• tuinbouw: een zelfstandige beroeps- of bedrijfsactiviteit gericht op groenteteelt, fruitteelt, boomkwekerij andere dan bosboomkwekerij, sierteelt, kweek van tuinbouwzaden, plantgoed en/of aanverwante teelten. Alle activiteiten vreemd aan tuinbouw, zoals het stallen van caravans, motorhomes en andere voertuigen of goederen tegen vergoeding vallen onder de al
• Sportgerelateerde vereniging: een zelfstandige beroeps- of bedrijfsactiviteit gericht op sport en lichaamsbeweging.
Artikel 7: Voorstel van aangifte
De belastingplichtige ontvangt elk jaar een voorstel van aangifte van de gemeente Aartselaar.
Dit voorstel van aangifte is opgemaakt op basis van de gegevens uit eerdere aangiftes of na een controle/vaststelling.
Indien de belastingplichtige geen opmerkingen bij het voorstel van aangifte indient voor de aangiftedatum is verstreken, dan geldt het voorstel van aangifte als een regelmatige aangifte.
Artikel 8 – Aangifteplicht
• Elke belastingplichtige moet per vestiging afzonderlijk aangifte doen op een aangifteformulier dat het gemeentebestuur ter beschikking stelt. Deze aangifte geldt tot wederoproeping. De correct ingevulde, gedag- en ondertekende aangifte moet uiterlijk 31 maart van het aanslagjaar worden terugbezorgd aan het Gemeentebestuur van Aartselaar, financiële dienst, Baron van Ertbornstraat 1, 2630 Aartselaar of via e-mail aan belastingen@aartselaar.be .
• Voor elke vestiging waarvoor een belastingplichtige geen aangifteformulier heeft ontvangen is hij/zij verplicht, uiterlijk op 31 maart van het aanslagjaar spontaan een aangifte te doen of via het formulier dat daartoe op verzoek zal worden toegezonden. Te bezorgen aan het Gemeentebestuur van Aartselaar, financiële dienst, Baron van Ertbornstraat 1, 2630 Aartselaar of via e-mail aan belastingen@aartselaar.be.
• Tevens moet de belastingplichtige binnen de maand uit eigen beweging aangifte doen bij het Gemeentebestuur van Aartselaar, financiële dienst, Baron van Ertbornstraat 1, 2630 Aartselaar of via e-mail aan belastingen@aartselaar.be van:
o elke nieuwe of bijkomende vestiging in de gemeente Aartselaar;
o elke wijziging van de beschikbare oppervlakte, in principe dus elke verwerving of vervreemding van onroerend goed, elk begin of einde van huur, pacht, en elke andere wijze waardoor de beschikbare oppervlakte op het grondgebied van de gemeente Aartselaar wijzigt;
o elke verandering in de uitbating;
o de definitieve stopzetting van een bedrijf, handelszaak of vrij beroep in de gemeente Aartselaar.
o Deze opsomming is niet limitatief.
Artikel 9 – Controlemiddelen
De aangestelde ambtenaren zijn gemachtigd om alle inbreuken op dit belastingreglement vast te stellen.
De door hun opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.
Artikel 10 – Ambtshalve belasting
Bij gebrek aan tijdige aangifte binnen de in artikel 6 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte kan de belastingplichtige ambtshalve worden belast volgens de gegevens waarover de gemeente beschikt, onverminderd het recht op bezwaar en beroep.
Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen te rekenen van de derde werkdag die volgt op de datum van verzending van die kennisgeving om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
Artikel 11 – Belastingverhoging
De overeenkomstig artikel 8 ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan de verschuldigde belasting. De belastingverhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.
Artikel 12 – Wijze van invordering
De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt zoals vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen en de wijziging door het decreet van 3 mei 2024.
Artikel 13 – Betalingstermijn
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 14 – Bezwaarprocedure
De belastingschuldige kan tegen deze belasting een bezwaar indienen bij het college van burgemeester en schepenen. Het bezwaar moet schriftelijk worden ingediend, gemotiveerd en ondertekend zijn.
De indiening van het bezwaarschrift moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet.
Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstmelding verstuurd, binnen vijftien kalenderdagen na de indiening ervan.
Artikel 15 – Inwerkingtreding en bekendmaking
Onderhavig reglement wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De grondwet, artikel 170 §4. Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd. Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017.
Artikel 4.4.9/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO).
Het vergunningverlenende bestuursorgaan mag bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg, voor zover dit plan ouder is dan vijftien jaar op het ogenblik van de indiening van de aanvraag. Dit artikel regelt ook de mogelijke afwijkingen.
De omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit.
De geldigheidsduur van het belastingreglement op de waardevermeerdering van onroerend goed naar aanleiding van een bestemmingswijziging loopt af op 31 december 2025. Daarom is een nieuwe vaststelling van deze belasting nodig voor de periode 2026–2031.
De gemeente wenst de bestaande belasting voort te zetten om ervoor te zorgen dat de meerwaarde op onroerend goed, ontstaan door een overheidsinitiatief zoals de goedkeuring van een ruimtelijk uitvoeringsplan, niet uitsluitend ten goede komt aan de eigenaar van het perceel, maar ook aan de gemeente. De belasting kadert tevens binnen de budgettaire planning van de gemeente.
FINANCIËN
Budgetcode: GBB-FIN/0020-00/7370010
Artikel 1 – Heffingstermijn en belastbaar voorwerp
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een eenmalige belasting geheven op de waardevermeerdering die ontstaat bij:
de inwerkingtreding van een ruimtelijk uitvoeringsplan waarbij voor het perceel een bestemmingswijziging wordt goedgekeurd;
het afleveren van een omgevingsvergunning waarin wordt afgeweken van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg overeenkomstig artikel 4.4.9/1 VCRO.
De belasting is van toepassing op het grondgebied van de gemeente Aartselaar. Voor gedeeltelijk gelegen percelen geldt een proportionele belasting.
Artikel 2 – Definities
De begrippen in dit reglement worden gedefinieerd conform de bepalingen in dit artikel. Een perceel betreft een (deel van een) kadastraal perceel. Een ruimtelijk uitvoeringsplan treedt definitief in werking wanneer geen betwisting meer mogelijk is, overeenkomstig de VCRO.
Artikel 3 – Belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de eigenaar van het onroerend goed op het moment van inwerkingtreding van het plan.
§2. Bij mede-eigendom zijn alle mede-eigenaars hoofdelijk aansprakelijk.
Artikel 4 – Berekeningsgrondslag en tarieven
§1. De waardevermeerdering is het verschil tussen de waarde vóór en na de bestemmingswijziging, vastgesteld door een beëdigd schatter aangesteld door de gemeente.
§2. Bij betwisting van deze waarde wordt een procedure met drie beëdigd schatters gevolgd.
§3. De belasting bedraagt 20% van de aldus bepaalde waardevermeerdering.
§4. De belasting is verschuldigd op het ogenblik van de definitieve bepaling van de waardevermeerdering.
Artikel 5 – Vrijstellingen
Er is geen belasting verschuldigd wanneer de bestemmingswijziging minder dan 25% van een perceel of minder dan 200 m² betreft.
Artikel 6 – Wijze van invordering
De belasting wordt ingevorderd via kohier, vastgesteld door het college.
Artikel 7 – Betalingstermijn
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 8 – Verwijzingsregel
De vestiging, invordering en geschillen worden geregeld volgens het decreet van 30 mei 2008 en latere wijzigingen.
Artikel 9 – Inwerkingtreding en bekendmaking
Het reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet lokaal bestuur. De toezichthoudende overheid wordt in kennis gesteld overeenkomstig artikel 330 van hetzelfde decreet.
De grondwet, in het bijzonder artikel 170 §4;
Het decreet betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen van 30/5/2008;
Decreet over het lokaal bestuur van 22/12/2017;
Gecodificeerd Decreet over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17/7/2020 (citeeropschrift: "Vlaamse Codex Wonen van 2021"), inzonderheid boek 2, deel 2, titel 3 “leegstandsregister”;
Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen van 2020, genomen op 11/9/2020 (citeeropschrift: Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021), inzonderheid boek 2, deel 2, titel 4, hoofdstuk 2, art. 2.14;
Gemeenteraadsbeslissing betreffende de intergemeentelijke samenwerking met Igean en de dienstverlening die optreedt als zelfstandige groepering ter ondersteuning van het lokaal bestuur van 15/9/2025;
Het gemeentelijk reglement op de leegstand van gebouwen en woningen, indicatie en registratie, zoals laatst gewijzigd;
Het gemeentelijk reglement op de leegstand van gebouwen en woningen, vaststelling van de gemeentebelasting voor de dienstjaren 2020-2025, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 16/12/2019;
Het huidige gemeentelijke belastingreglement op de leegstand van gebouwen en woningen loopt af op 31 december 2025. Om de heffing ook na deze datum te kunnen blijven toepassen, is een verlenging van het reglement noodzakelijk.
Het nieuwe ontwerp van reglement beoogt een verlenging van de bestaande heffing op leegstaande gebouwen en woningen voor de periode 2026-2031. Daarbij werd rekening gehouden met recente juridische inzichten, onder meer met betrekking tot de vrijstellingen voor sociale woonorganisaties. Deze vrijstellingen worden herwerkt en verruimd, onder andere met het oog op collectieve renovatieprojecten. Het reglement bepaalt de belastbare basis, definities, toepassingsvoorwaarden, vrijstellingen, tarieven en procedurele bepalingen inzake bezwaar en invordering.
Artikel 1: Heffingstermijn : belastbaar voorwerp
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een jaarlijkse gemeentebelasting gevestigd op de leegstaande gebouwen en woningen.
Artikel 2: Definities
§1. Voor de toepassing van dit reglement gelden onder meer de begripsomschrijvingen van het artikel 1.3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
§2. Voor de toepassing van dit reglement wordt specifiek volgende definitie verstaan onder:
1° Administratie: de gemeentelijke administratieve eenheid die door de gemeenteraad belast wordt met de opmaak en de opbouw van het leegstandsregister;
2° Bedrijfsruimte: de verzameling van alle percelen waarop zich minstens één bedrijfsgebouw bevindt, als één geheel te beschouwen en waar een economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt. Deze verzameling heeft een minimale oppervlakte van 5 aren.
Een bedrijfsruimte wordt nooit als een leegstaand gebouw of als een leegstaande woning beschouwd.
De bedrijfsruimten die op grond van artikel 2, 1°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten worden uitgesloten van de toepassing van voormeld decreet, worden onder de aldaar vermelde voorwaarden evenmin als leegstaande gebouwen of woningen in de zin van deze afdeling beschouwd;
3° Beroepsinstantie: het college van burgemeester en schepenen;
4° Beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijzen:
- een aangetekend schrijven;
- een afgifte tegen ontvangstbewijs;
- elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
5° Gebouw: elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, met uitsluiting van bedrijfsruimten, vermeld in artikel 2,1° van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, zoals vermeld in art. 1.3, §1, lid 14 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
De functie van het gebouw is deze die overeenkomt met een voor het gebouw of voor gedeelten daarvan afgeleverde of gedane stedenbouwkundige vergunning, omgevingsvergunning of melding in de zin van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of het omgevingsvergunningsdecreet. Bij een gebouw waarvoor geen vergunning of melding voorhanden is of waarvan de functie niet duidelijk uit een vergunning of melding blijkt, wordt deze functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van het gebouw voorafgaand aan het vermoeden van leegstand, zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden.
Een gebouw dat in hoofdzaak gediend heeft voor een economische activiteit, vermeld in artikel 2, 2° van het decreet bedrijfsruimten, wordt niet beschouwd als leegstaand zolang de oorspronkelijke beoefenaar van deze activiteit een gedeelte van het gebouw bewoont en dat gedeelte niet afsplitsbaar is. Een gedeelte is eerst afsplitsbaar indien het na slopen van de overige gedeelten kan worden beschouwd als een afzonderlijke woning die voldoet aan de bouwfysische vereisten;
6° Leegstaand gebouw: Gebouw waarvan meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte niet overeenkomstig de functie van het gebouw wordt aangewend gedurende een periode van ten minste twaalf opeenvolgende maanden. Hierbij wordt geen rekening gehouden met woningen die deel uitmaken van het gebouw.
7° Leegstaande woning: woning die gedurende een periode van ten minste 12 opeenvolgende maanden niet aangewend wordt in overeenstemming met de woonfunctie, die blijkt uit een omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning die voor die woning is uitgereikt. Bij een woning waarvoor er geen vergunning of melding is, of waarvan de functie niet duidelijk blijkt uit een vergunning of melding, wordt de functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van de woning dat voorafging aan het vermoeden van leegstand, zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden;
8° Leegstand bij nieuwbouw: Een nieuw gebouw of een nieuwe woning wordt als een leegstaand gebouw of een leegstaande woning beschouwd indien dat gebouw of die woning binnen zeven jaar na de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning in laatste administratieve aanleg niet aangewend wordt overeenkomstig zijn functie;
9° Leegstandsregister: Het gemeentelijk register van leegstaande gebouwen en woningen als vermeld in art 2.9 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
10° Woning: elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande, zoals vermeld in art. 1.3, §1, lid 66 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
11° Zakelijk gerechtigde: de houder van één van de volgende zakelijke rechten:
- de volle eigendom;
- het recht van opstal of van erfpacht;
- het vruchtgebruik;
Artikel 3: Leegstandsregister
§1. De administratie houdt een leegstandsregister bij. Het register leegstand bestaat uit twee afzonderlijke lijsten:
- een lijst “leegstaande gebouwen”;
- een lijst “leegstaande woningen”;
Een woning die opgenomen is in de inventaris “ongeschikte en/of onbewoonbaar verklaarde woningen” wordt niet opgenomen in het register leegstand, in overeenstemming met artikel 2.13 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
Een gebouw dat of een woning die geïnventariseerd is als verwaarloosd, kan eveneens opgenomen worden in het leegstandsregister, en omgekeerd.
§2. In elke inventaris worden minimaal de volgende gegevens opgenomen :
1° het adres van de leegstaande woning of het leegstaande gebouw;
2° de kadastrale gegevens van de leegstaande woning of gebouw;
3° de identiteit en het adres van de zakelijk gerechtigde(n);
4° het nummer en de datum van de administratieve akte;
5° de indicatie of indicaties die aanleiding hebben gegeven tot de opname.
Artikel 4: Belastingplichtige
§1. De belastingplichtige is de houder van het zakelijk recht betreffende het leegstaande gebouw of de leegstaande woning, op het ogenblik dat de belasting van het aanslagjaar verschuldigd is.
Ingeval er een recht van opstal, erfpacht of vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door de houder van dat zakelijk recht van opstal, van erfpacht of van vruchtgebruik op het ogenblik dat de belasting van het aanslagjaar verschuldigd is.
§2. Indien er meerdere belastingplichtigen zijn, zijn deze allen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.
§3. In geval van overdracht van het zakelijk recht moet de overdrager van het zakelijk recht de verkrijger ervan in kennis stellen dat het goed is opgenomen in het leegstandsregister.
Tevens moet hij, per beveiligde zending, een kopie van de notariële akte of notarieel attest bezorgen aan de gemeente, binnen twee maanden na het verlijden van de notariële akte. Deze kopie of dit attest bevat minstens de volgende gegevens:
- naam en adres van de verkrijger van het zakelijk recht en zijn eigendomsaandeel;
- datum van de akte, naam en standplaats van de notaris;
- nauwkeurige aanduiding van de overgedragen woning of het gebouw;
Bij ontstentenis van deze kennisgeving wordt de overdrager van een zakelijk recht, in afwijking van §1, als belastingplichtige beschouwd voor de eerstvolgende belasting die na de overdracht van het zakelijk recht wordt gevestigd.
§2. Bij toekenning van zakelijke rechten als vruchtgebruik, erfpacht of recht van opstal, dient de naakte eigenaar dezelfde procedure te volgen omschreven in §3.
Artikel 5: Berekeningsgrondslag en tarieven
§1. Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een jaarlijkse gemeentebelasting gevestigd op de gebouwen en woningen die gedurende minstens twaalf opeenvolgende maanden zijn opgenomen in het gemeentelijk leegstandsregister.
§2. Zolang het gebouw of de woning niet uit het leegstandsregister is geschrapt, is telkens een heffing verschuldigd op het ogenblik dat een nieuwe periode van twaalf maanden - vanaf de datum van opname in het leegstandsregister – wordt aangevat, tenzij de belastingplichtige op dat ogenblik een vrijstelling geniet, zoals opgesomd in art. 6 §2.
§3. Indien de belastingplichtige voor het pand, opgenomen op de inventaris leegstand, met bijhorende toegekende dossiernummer, een eerste maal belasting verschuldigd is, bedraagt deze het basisbedrag, zijnde 2.400 euro voor een leegstaande woning of (gedeeltelijk) leegstaand gebouw.
Indien de belastingplichtige voor het pand, opgenomen op de inventaris leegstand, met bijhorende toegekende dossiernummer, een tweede maal belasting verschuldigd is, bedraagt deze het vervolgbedrag, zijnde 4.800 euro voor een leegstaande woning of (gedeeltelijk) leegstaand gebouw.
Indien de belastingplichtige voor het pand, opgenomen op de inventaris leegstand, met bijhorende toegekende dossiernummer, een derde of volgende maal belasting verschuldigd is, bedraagt deze het maximale bedrag, zijnde: 9.600 euro voor een leegstaande woning of (gedeeltelijk) leegstaand gebouw.
§4. In afwijking van §3 wordt de belastingplichtige die - bij overdracht van onroerend goed of toekenning van zakelijke rechten - geen aanspraak kan maken op de vrijstelling betreffende overdracht van onroerend goed of toekenning van zakelijke rechten zoals geformuleerd in art. 6 §2 derde lid van dit reglement, niet beschouwd als een belastingplichtige die slechts voor de eerste maal een heffing verschuldigd is. Het bedrag van de heffing wordt dus niet automatisch gereduceerd tot het basisbedrag; in dergelijk geval wordt gekeken naar de laatste heffing die de voorgaande belastingplichtige, die wel aanspraak kon maken op de vrijstelling wegens overdracht van onroerend goed of toekenning van zakelijke rechten zoals omschreven in art. 6 §2 derde lid van dit reglement, schuldig was. Deze voorgaande belastingplichtige wordt aldus de referentiebelastingplichtige:
- indien de referentiebelastingplichtige nog geen heffing verschuldigd was, is de belastingplichtige het basisbedrag verschuldigd;
- indien de referentiebelastingplichtige reeds het basisbedrag verschuldigd was, is de belastingplichtige het vervolgbedrag verschuldigd;
- indien de referentiebelastingplichtige reeds het vervolgbedrag (en eventueel maximale bedrag) verschuldigd was, is de belastingplichtige het maximale bedrag verschuldigd;
§3. Indien er meerdere belastingplichtigen zijn, en de verschuldigde bedragen, zoals vermeld in §3, variëren per belastingplichtige, wordt de totale belastingschuld gelijkgesteld aan het hoogste bedrag. De belastingplichtigen zijn allen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van deze totale belastingschuld, overeenkomstig art. 4 §2 van dit reglement.
Artikel 6: Vrijstelling en tijdelijke schorsing van de leegstandsheffing
§1. Een vrijstelling van belasting wordt toegekend mits voldaan aan de voorwaarden tot het bekomen van één van de mogelijke vrijstellingen zoals bepaald in §2. Een vrijstelling wordt schriftelijk, met toevoeging van de nodige bewijsstukken, aan de administratie aangevraagd. Hierbij wordt verplicht gebruik gemaakt van het modelformulier aangereikt door de administratie. Bij twijfel over de ontvangst van de aanvraag draagt de aanvrager de bewijslast.
De administratie neemt een beslissing binnen een termijn van orde van twee maanden na de ontvangst van het verzoek. Indien geen beslissing wordt genomen binnen de termijn van orde, wordt de aanvraag geacht afgewezen te zijn.
§2. Volgende vrijstellingen, met desgevallend bijhorende beperkte vrijstellingsperiode, worden toegekend:
1° Vrijstelling indien de belastingplichtige of één van de belastingplichtigen als natuurlijk persoon de laatste bewoner was van de leegstaande woning én die natuurlijk persoon bij opname van het pand in het leegstandsregister in een erkende ouderenvoorziening of erkende zorginstelling verblijft. Het bewijs hiervan wordt afgeleverd door de ouderenvoorziening of zorginstelling. De vrijstelling kan ook ambtshalve worden toegekend indien de verhuisbeweging naar de erkende ouderenvoorziening of erkende zorginstelling blijkt uit de woonhistoriek van de betrokkene.
Deze vrijstelling geldt voor een periode van één jaar ingaand vanaf de datum van opname in het leegstandsregister.
2° Vrijstelling indien de handelingsbekwaamheid van de belastingplichtige of één van de belastingplichtigen beperkt werd ingevolge een gerechtelijke beslissing. Het bewijs hiervan wordt geleverd door het voorleggen van de betreffende uitspraak.
Deze vrijstelling geldt voor een periode van één jaar vanaf de datum van de betreffende uitspraak.
3° Vrijstelling aan de belastingplichtige die bij notariële akte een zakelijk recht op het gebouw of de woning heeft bedongen, met dien verstande dat deze vrijstelling niet geldt bij overdracht van onroerend goed of toekenning van zakelijke rechten aan:
- bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad, tenzij ingeval van overdracht bij erfopvolging of testament;
- vennootschappen of verenigingen waarin (minstens één van) de vroegere zakelijk gerechtigde(n) rechtstreeks of onrechtstreeks participeert;
- natuurlijke of rechtspersonen die vóór de datum van de betreffende notariële akte reeds een ander zakelijk recht op het onroerend goed konden laten gelden, behalve indien de naakte eigenaar volle eigenaar of mede-eigenaar van het onroerend goed is geworden ten gevolge van overdracht bij erfopvolging of testament;
Deze vrijstelling geldt voor een periode van twee jaar vanaf de datum van de betreffende notariële akte.
Indien bij overdracht van onroerend goed of toekenning van zakelijke rechten een onderhandse akte werd ondertekend, resulteert dit in een tijdelijke schorsing van de heffing. De tijdelijke schorsing kan alleen worden toegekend bij overdracht van onroerend goed of toekenning van zakelijke rechten aan een natuurlijk of rechtspersoon die aanspraak kan maken op de vrijstelling zoals omschreven in dit lid. Indien de onderhandse akte hieromtrent meerdere personen vermeldt, dienen zij allen aanspraak te kunnen maken op de betreffende vrijstelling. Enkel indien de authentieke akte gebaseerd op deze onderhandse akte binnen vier maanden wordt verleden, wordt de schorsing van de heffing omgezet in een vrijstelling voor de toenmalige belastingplichtige, zijnde de voormalige houder van de zakelijke rechten.
4° Vrijstelling indien de belastingplichtige of één van de belastingplichtigen een door de Vlaamse overheid erkende woonmaatschappij is, een centrum voor algemeen welzijnswerk, een autonoom gemeentebedrijf, de gemeente, het OCMW, een intercommunale waarin het lokaal bestuur Aartselaar participeert of, algemeen, een vereniging zonder winstoogmerk is en deze organisatie de woning of het gebouw aanwendt om een maatschappelijk belangrijke taak te vervullen met betrekking tot wonen of opvang. De vrijstelling wordt ook toegekend aan de belastingplichtige(n) indien het onroerend goed wordt verhuurd aan één van de organisaties vermeld in dit lid, mits de belastingplichtige een huurcontract en bewijs van registratie van de huurovereenkomst kan voorleggen.
Een maatschappelijk belangrijke taak is een initiatief ten dienste van het welzijn van de inwoners van Aartselaar en ten dienste van het gemeentelijk belang, in overeenstemming met art. 2 §1 en §2 van het decreet over het lokaal bestuur van 22/12/2017.
In tegenstelling tot de bepalingen vermeld in §1, wordt deze vrijstelling aangevraagd aan het college van burgemeester en schepenen, dat beoordeelt of de activiteit voldoet aan de bepalingen in dit lid en aldus beslist of een vrijstelling gerechtvaardigd is. Alle overige modaliteiten vermeld in §1, met onder meer de wijze van vrijstellingsaanvraag en de vermelde termijn van orde, blijven van kracht. Een vrijstelling kan niet worden toegekend indien de aanwending van het gebouw of woning indruist tegen de bepalingen vermeld in het Gecodificeerd Decreet Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15/5/2009.
Deze vrijstelling wordt slechts voor een beperkte tijdsduur toegekend, desgevallend vermeld in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen.
Indien een akkoord of voorakkoord tot een overeenkomst werd ondertekend met een rechtspersoon die aanspraak kan maken op een vrijstelling zoals omschreven in dit lid, resulteert dit in een tijdelijke schorsing van de heffing. Indien het (voor)akkoord meerdere personen als toekomstige huurders of eigenaars vermeldt, dienen zij allen aanspraak te kunnen maken op de betreffende vrijstelling zoals omschreven in dit lid. Enkel indien dit voorakkoord leidt tot een geregistreerde huurovereenkomst of notariële akte en een toegekende vrijstelling door het college van burgemeester en schepenen, wordt de schorsing van de heffing omgezet in een vrijstelling voor de houder van de zakelijke rechten.
5° Vrijstelling aan de belastingplichtige(n) indien het gebouw of de woning gelegen is binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan en de woning is aangeduid als te onteigenen goed.
6° Vrijstelling aan de belastingplichtige(n) indien het gebouw of de woning geen voorwerp meer kan uitmaken van een stedenbouwkundige vergunning omdat een voorlopig of definitief onteigeningsplan is vastgesteld.
7° Vrijstelling aan de belastingplichtige(n) indien het gebouw of de woning beschermd is als monument, krachtens het decreet tot bescherming van monumenten en stads- of dorpsgezichten, of opgenomen is op een bij besluit vastgesteld ontwerp van lijst tot bescherming als monument, stads- of dorpsgezicht.
De vrijstelling wordt enkel toegekend indien op dat moment eveneens een restauratiepremiedossier bij de bevoegde overheid is ingediend en ontvankelijk werd verklaard.
8° Vrijstelling aan de belastingplichtige(n) indien het gebouw of de woning deel uitmaakt van een krachtens decreet beschermd stads- of dorpsgezicht of landschap, of van een stads- of dorpsgezicht of landschap dat opgenomen is op een bij besluit vastgesteld ontwerp van lijst tot bescherming als stads- of dorpsgezicht of landschap.
9° Vrijstelling aan de belastingplichtige(n) indien het gebouw of de woning vernield of beschadigd werd ten gevolge van een plotse ramp. Een ramp is een gebeurtenis die zich voordoet buiten de wil van de belastingplichtige, en die uiterlijk waarneembare schade veroorzaakt aan het gebouw en/of de woning, waardoor de schade zo groot is dat het normaal gebruik onmogelijk is.
Deze vrijstelling geldt gedurende een periode van twee jaar vanaf de datum van de vernieling of beschadiging.
10° Vrijstelling aan de belastingplichtige(n) wegens overmacht indien het gebouw of de woning onmogelijk daadwerkelijk gebruikt kan worden en de inventarisatie blijft aanhouden om redenen die onafhankelijk zijn van de wil van de belastingplichtige. De vrijstelling kan maar worden toegekend indien de belastingplichtige kan bewijzen dat hij – zoals een ‘goed huisvader’ – tijdig alles in het werk heeft gesteld om de ongewilde situatie op te lossen, op voorwaarde dat de ernst van de zaak de normale in gebruik name van het onroerend goed verhindert en met dien verstande dat een laattijdige verkoop nooit aanleiding kan zijn voor een vrijstelling wegens overmacht.
De vrijstelling wordt steeds toegekend voor één jaar, doch kan bij nieuwe aanvraag verlengd worden.
11° Vrijstelling indien het gebouw of de woning gerenoveerd wordt blijkens een niet vervallen omgevingsvergunning voor stabiliteitswerken/sloopwerkzaamheden of indiening van een stedenbouwkundige melding.
Deze vrijstelling geldt gedurende een termijn van vijf jaar volgend op de datum van ontvangstbewijs van de omgevingsvergunning/-melding, met dien verstande dat de vrijstelling meteen wordt ingetrokken indien de vergunning binnen deze termijn van rechtswege vervalt. Indien de vergunning wordt geweigerd of wordt goedgekeurd maar de werken worden niet aangevat binnen de vooropgestelde termijn, werd de vrijstelling nooit toegekend.
12° Vrijstelling indien de woningen of gebouwen tijdelijk leeg blijven staan om later, omwille van efficiëntieredenen, in een groter sociaal project met meerderen tegelijk gerenoveerd of herbouwd worden.
In tegenstelling tot de bepalingen vermeld in §1, wordt deze vrijstelling aangevraagd aan het college van burgemeester en schepenen. Alle overige modaliteiten vermeld in §1, met onder meer de wijze van vrijstellingsaanvraag en de vermelde termijn van orde, blijven van kracht.
Deze vrijstelling wordt slechts voor een beperkte tijdsduur toegekend, desgevallend vermeld in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen. De vrijstellingsperiode kan nooit meer bedragen dan 5 jaar vanaf de datum van toekenning.
13° vrijstelling voor een pand dat in beheer wordt gegeven aan de leegstandsbeheerder. De vrijstelling geldt pro rata het aantal maanden waarvoor een ondertekend contract kan voorgelegd worden tussen de eigenaar en de leegstandsbeheerder. Enkel leegstaande winkelpanden binnen het kernwinkelgebied kunnen gebruikmaken van deze vrijstelling. De leegstandsbeheerder wordt aangeduid door het college van burgemeester en schepenen. Indien er voor een bepaalde periode geen leegstandsbeheerder is aangeduid, kan van deze vrijstelling geen gebruik gemaakt worden.
§3. Indien de belastingplichtige op een bepaald moment aanspraak maakt op meerdere vrijstellingen, wordt die vrijstelling toegekend die op dat moment recht geeft op de langste periode van vrijstelling.
Artikel 7: Wijze van invordering
De belasting wordt ingevorderd bij wijze van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 8: Betalingstermijn
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 9: Bezwaarprocedure
De belastingschuldige kan bezwaar indienen tegen deze belasting bij het college van burgemeester en schepenen, conform artikel 9 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen.
Het bezwaarschrift moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn.
Deze indiening moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde kalenderdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet.
Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstmelding afgegeven, binnen vijftien dagen na de indiening ervan.
Artikel 10. Verwijzingsregel
De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Artikel 11. Inwerkingtreding en bekendmaking
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De grondwet, in het bijzonder artikel 170 §4;
Het decreet betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen van 30/5/2008;
Decreet over het lokaal bestuur van 22/12/2017;
Gecodificeerd Decreet over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17/7/2020 (citeeropschrift: "Vlaamse Codex Wonen van 2021"), inzonderheid boek 2, deel 2, titel 4 “register van verwaarloosde woningen en gebouwen”;
Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen van 2020, genomen op 11/9/2020 (citeeropschrift: Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021), inzonderheid boek 2, deel 2, titel 4, hoofdstuk 2, art. 2.14;
Gemeenteraadsbeslissing betreffende de intergemeentelijke samenwerking met Igean en de dienstverlening die optreedt als zelfstandige groepering ter ondersteuning van het lokaal bestuur van 15/9/2025;
Het gemeentelijk reglement voor de registratie van verwaarloosde woningen en gebouwen van 4/9/2017;
De verwaarlozing van woningen en gebouwen op het grondgebied van de gemeente moet voorkomen en bestreden worden om de verloedering van de leef- en woonomgeving tegen te gaan. Daarbij is het wenselijk dat op het grondgebied van de gemeente alle beschikbare patrimonium voor wonen optimaal wordt benut.
Momenteel beschikt de gemeente niet meer over een gemeentelijke heffing betreffende verwaarloosde woningen en gebouwen.
De verwaarlozing van gebouwen en woningen heeft een negatieve impact op de leefkwaliteit en de uitstraling van het woongebied. Door middel van dit reglement beoogt de gemeente Aartselaar een actief en sluitend beleid te voeren dat gericht is op het voorkomen en terugdringen van verwaarlozing binnen het woningpatrimonium. Het reglement is aangepast aan de actuele juridische context en houdt rekening met recente wijzigingen in de Vlaamse Codex Wonen van 2021. De aanpak wordt afgestemd op de werkwijze van omliggende gemeenten en kadert in de bredere doelstelling om het beschikbare woningaanbod optimaal te benutten. Daarbij wordt ingezet op een transparante registratie, duidelijke vaststellingscriteria via een technisch verslag, en een proportionele belastingregeling om eigenaars te stimuleren tot herstel of herontwikkeling van verwaarloosde panden.
Het gewijzigde voorstel hieronder werd aangebracht door Igean en brengt de werkwijze van Aartselaar in overeenstemming met de werkwijze van omliggende gemeenten.
FINANCIËN
Budgetcode: GBB-FIN/0020-00/7304000
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit reglement wordt begrepen onder:
1° Beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijzen:
a) een aangetekend schrijven;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c) een elektronische aangetekende zending.
2° Bezwaarinstantie: het college van Burgemeester en Schepenen;
3° Gebouw: het onroerend goed vermeld in artikel 24, 2° van het Heffingsdecreet; namelijk elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, met uitzondering van de bebouwde onroerende goederen die vallen onder de toepassing van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
4° Gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen: het register vermeld in artikel 3, §1 van dit reglement en artikel 2.15 van de Vlaamse Codex Wonen;
5° Registerbeheerder: de gemeentelijke administratieve eenheid en/of intergemeentelijke administratieve eenheid die door het gemeentebestuur wordt belast met de opmaak, het beheer en de actualisering van het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen;
6° Registratiedatum: de datum waarop een woning of een gebouw met toepassing van artikel 4 van dit reglement in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen is opgenomen;
7° Woning: een goed vermeld in artikel 1.3 §1, eerste lid 66°, Boek 1 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 (elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande)
8° Houder van het zakelijk recht: de houder van één van de volgende zakelijke rechten:
a) de volle eigendom;
b) het recht van opstal of van erfpacht;
c) het vruchtgebruik.
Artikel 2. Belastingstermijn en belastbare grondslag
§1. Er wordt voor de jaren 2026 tot en met 2031 een gemeentebelasting gevestigd op de woningen en gebouwen die, gedurende minstens twaalf opeenvolgende maanden opgenomen zijn in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen.
§2. De belasting is voor het eerst verschuldigd vanaf het ogenblik dat de woning of het gebouw gedurende twaalf opeenvolgende maanden opgenomen is in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen.
Zolang de woning of het gebouw niet is geschrapt uit dit register, blijft de belasting verschuldigd bij het verstrijken van elke opeenvolgende periode van twaalf maanden.
Artikel 3. Belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de houder van het zakelijk recht op de verwaarloosde woning of het verwaarloosd gebouw op de verjaardag van de registratiedatum.
§2. Indien er meerdere houders van het zakelijk recht zijn, zijn zij allen hoofdelijk gehouden tot betaling van de totale belastingschuld.
Artikel 4. Tarief van de belasting
§1. De belasting bedraagt:
- € 1.500 voor een gebouw
- € 1.500 voor een woning
Indien het gebouw of de woning een tweede opeenvolgende termijn van twaalf maanden op de inventaris staat bedraagt de belasting:
- € 3.000 voor een gebouw
- € 3.000 voor een woning
Indien het gebouw of de woning een derde opeenvolgende termijn van twaalf maanden op de inventaris staat bedraagt de belasting:
- € 4.500 voor een gebouw
- € 4.500 voor een woning
Indien het gebouw of de woning een vierde of latere opeenvolgende termijn van twaalf maanden op de inventaris staat bedraagt de belasting:
- € 6.000 voor een gebouw
- € 6.000 voor een woning
Artikel 5. Vrijstelling
Van de belasting op verwaarlozing zijn vrijgesteld:
1° de belastingplichtige die sinds minder dan een jaar houder van het zakelijk recht is van het gebouw of de woning, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt voor de eerste belastingaanslag volgend op het verkrijgen van het zakelijk recht;
2° de woning of het gebouw gelegen is binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan en de woning is aangeduid als te onteigenen goed;
3° de woning of het gebouw, krachtens decreet, beschermd is als monument, stads- of dorpsgezicht, of opgenomen is op een bij besluit vastgesteld ontwerp van lijst tot bescherming als monument, stads- of dorpsgezicht en waarvoor een restauratiepremiedossier bij de bevoegde overheid is ingediend en ontvankelijk verklaard;
4° de woning of het gebouw vernield of beschadigd werd ten gevolge van een plotse ramp, met dien verstande dat deze vrijstelling jaarlijks opnieuw moet aangevraagd worden en slechts geldt gedurende een periode van drie jaar volgend op de datum van de vernieling of beschadiging;
5° de woning of het gebouw gerenoveerd wordt blijkens een niet vervallen omgevingsvergunning voor stabiliteitswerken of sloopwerkzaamheden, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt gedurende een termijn van drie opeenvolgende jaren volgend op het uitvoerbaar worden van de stedenbouwkundige vergunning;
6° de woning of het gebouw gerenoveerd wordt zonder omgevingsvergunning, mits de betrokkene door middel van een gedetailleerd dossier (timing, aard werken, kostprijs) aantoont dat het een totale verbouwing betreft en waarbij de woning wordt aangepast aan de huidige woningkwaliteitsnormen. De werken worden jaarlijks aangetoond aan de hand van foto’s en bijgevoegde facturen. De vrijstelling wordt jaarlijks opnieuw aangevraagd en is verlengbaar tot maximum drie jaar.
7° de woningen of de gebouwen die een eigenaar om efficiëntieredenen in een groter sociaal project met meerdere tegelijk wil renoveren of herbouwen. De vrijstelling kan voor maximum 5 opeenvolgende jaren worden verkregen, op voorwaarde dat de houder van het zakelijk recht jaarlijks de vooruitgang aantoont in het project.
Artikel 6. Inkohiering
De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 7. Betalingstermijn
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 8. Bezwaar
§1. De belastingplichtige kan bezwaar indienen tegen deze belasting bij het college van burgemeester en schepenen.
§2. De indiening en de behandeling van het bezwaar gebeurt volgens de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Artikel 9. Kennisgeving toezicht
Dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid toegezonden.
De Grondwet, artikel 170 §4.
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, zoals laatst gewijzigd.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van
provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
De omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit.
In het kader van een actief grond- en ruimtelijk beleid stelt het gemeentebestuur een belastingreglement voor dat activeringsheffingen invoert op onbebouwde bouwgronden, kavels en braakliggende industriegronden. Het betreft een nieuw reglement dat voor het eerst wordt ingevoerd voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031.
De gemeente Aartselaar kampt met een toenemende schaarste aan beschikbare bouwgronden voor zowel woningen als bedrijvigheid. Tegelijk blijven diverse percelen langdurig onbenut, wat leidt tot ruimte-inefficiëntie en een rem zet op gewenste ontwikkelingen. Met het voorliggende reglement wil het bestuur deze onbebouwde en braakliggende gronden activeren door middel van een fiscale prikkel. De heffing heeft als doel het bestaande aanbod van reeds bebouwbare gronden effectief in gebruik te laten nemen, zodat er meer ruimte ontstaat voor wonen en economische activiteiten binnen de voorziene bestemmingsgebieden. Het reglement bepaalt het belastingvoorwerp, de tarieven, de voorwaarden tot vrijstelling en de sancties bij niet-naleving.
FINANCIËN
Budgetcode: OMGEV-6/0020-00/7372000
Artikel 1 – Belastbaar voorwerp
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een jaarlijkse activeringsheffing gevestigd op:
1. de onbebouwde bouwgronden en kavels die gedurende het volledige aanslagjaar onbebouwd zijn gebleven;
2. de gronden voor bedrijvigheid die gedurende het volledige aanslagjaar braakliggend zijn gebleven.
Artikel 2 – Definities
Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
1. Bouwgrond: een perceel grond, met uitsluiting van kavels, dat paalt aan een voldoende uitgeruste weg, gelegen in een woongebied of in een woonuitbreidingsgebied dat reeds voor bebouwing in aanmerking komt overeenkomstig de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
2. Kavel: het perceel afgebakend in een niet-vervallen verkavelingsvergunning of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, grenzend aan een openbare weg of volgens goedgekeurd verkavelingsplan aan te leggen weg.
3. Grond voor bedrijvigheid: een perceel dat volgens de bestemmingsvoorschriften bestemd is voor industrie, nijverheid, ambachtelijke bedrijven of kmo’s en grenst aan een voldoende uitgeruste openbare weg.
4. Bebouwde bouwgrond, kavel of grond voor bedrijvigheid: perceel waarop ingevolge een geldige stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning bouwwerken werden aangevat en waarvan minstens één bovengrondse bouwlaag werd opgericht.
5. Voldoende uitgeruste weg: een weg die verhard is met duurzame materialen en voorzien van een elektriciteitsnet.
6. Belastingplichtige: de houder van de volle of blote eigendom. In geval van erfpacht of opstalrecht: de erfpachter of opstalhouder.
Artikel 3 – Tarief en berekeningsgrondslag
1. Onbebouwde bouwgronden en kavels:
o €70 per strekkende meter perceellengte langs een openbare weg.
o Minimumaanslag: €420 per onbebouwde bouwgrond of kavel.
o Indien een perceel op een hoek gelegen is of grenst aan meerdere openbare wegen, wordt de helft van de som van alle zijden langs de openbare weg in aanmerking genomen, de afgesneden of afgeronde hoek(en) inbegrepen.
2. Braakliggende grond voor bedrijvigheid:
o €70 per strekkende meter perceellengte langs een openbare weg.
o Minimumaanslag: €490 per braakliggende grond met bestemming bedrijvigheid.
o Voor hoekpercelen geldt dezelfde berekeningswijze als voor bouwgronden en kavels.
Artikel 4 – Belastingplichtige
De activeringsheffing is verschuldigd door de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar. Ook als de eigenaar in de loop van het jaar de grond verkoopt.
In geval van mede-eigendom wordt de belasting geïnd ten aanzien van alle mede-eigenaars in verhouding tot hun eigendomsaandeel. Alle zakelijk gerechtigden zijn hoofdelijk gehouden tot betaling.
Onder ‘eigenaar’ wordt verstaan de houder van 1 van volgende zakelijke rechten:
• de volle eigendom
• de blote eigendom
• het recht van opstal
• het recht van erfpacht
Artikel 5 – Vrijstellingen
Een vrijstelling kan slechts worden verleend na tijdige aanvraag door middel van het daartoe voorziene aangifteformulier, vergezeld van de nodige bewijsstukken. De administratie kan bijkomende bewijsstukken opvragen en/of een feitenonderzoek ter plaatse uitvoeren. Een vrijstelling wordt telkens voor één aanslagjaar toegekend.
Van de belasting zijn vrijgesteld:
1. de belastingplichtige die geen ander onroerend goed bezit dan de belastbare grond of kavel en dit voor maximaal vijf aanslagjaren na verwerving;
2. ouders met kinderen ten laste, beperkt tot één perceel per kind ten laste en dit voor maximaal vijf aanslagjaren;
3. de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, erkende woonmaatschappijen, het Vlaams Woningfonds en sociale verhuurkantoren;
4. de onbebouwde percelen waarop krachtens een overheidsbeslissing of erfdienstbaarheid van openbaar nut niet mag worden gebouwd;
5. de onbebouwde percelen die gedurende het volledige jaar effectief en volledig zijn aangewend zijn voor land- of tuinbouw;
6. de onbebouwde kavels waarvoor een uitvoerbare verkavelingsvergunning of omgevingsvergunning werd afgeleverd:
o zonder werken: vrijstelling gedurende het aanslagjaar volgend op het jaar van vergunning;
o met werken: vrijstelling gedurende maximaal drie aanslagjaren, afhankelijk van de uitvoering en attestering van de lasten.
Artikel 6 – Wijze van inning
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat uitvoerbaar wordt verklaard door het College van Burgemeester en Schepenen. De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 7 – Aangifteplicht en meldingsplicht
1. Jaarlijks verzendt de administratie een formulier voor vrijstelling van activeringsheffing of rechtzetting dat uiterlijk op 28 februari moet worden ingediend. Als de belastingplichtige geen formulier van vrijstelling of rechtzetting indient voor de aangiftedatum van 28 februari, geldt het voorstel als een regelmatige Kohier.
2. Bij overdracht van het zakelijk recht is de belastingplichtige verplicht binnen twee maanden na verlijden van de notariële akte een kopie van de akte over te maken aan de administratie.
Artikel 8 – Ambtshalve belastingverhoging
Bij onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte van vrijstelling of rechtzetting door de belastingplichtige kan de belasting ambtshalve worden verhoogd met:
• 10% bij een eerste overtreding;
• 25%, 50% en 100% bij respectievelijk een tweede, derde en vierde opeenvolgende overtreding;
• 200% vanaf de vijfde opeenvolgende overtreding.
Artikel 9 – Administratieve geldboete
Een administratieve geldboete van €250 wordt opgelegd bij:
• weigering om mee te werken aan een controleonderzoek;
• weigering om boeken of bescheiden voor te leggen.
Deze boetes zijn cumuleerbaar en worden samen met de belasting ingevorderd.
Artikel 10 – Bezwaarprocedure
De belastingplichtige kan schriftelijk bezwaar indienen tegen de belasting of de administratieve geldboete bij het College van Burgemeester en Schepenen.
Het bezwaar moet gemotiveerd worden en ingediend binnen de twee maanden na de derde werkdag volgend op de verzending van het aanslagbiljet.
De grondwet, artikel 170 §4.
Het wetboek Inkomstenbelastingen van 10 april 1992, artikel 465 tot en met 470bis.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
Het decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
De omzendbrief KB ABB 2019/2 over de gemeentefiscaliteit.
Op 31 december 2025 verstrijkt de heffingsduur van de belasting opcentiemen op ongeschikte en onbewoonbare woningen vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2019.
De financiële toestand van de gemeente vergt de invoering van alle rendabele belastingen.
De belastingen zijn opgenomen in het meerjarenplan om aan de voorwaarden tot het bereiken van het financieel evenwicht te voldoen zoals bepaald in het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen.
Artikel 1. Heffingstermijn – belastbaar feit
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031, ten bate van de gemeente 150 opcentiemen te heffen op de gewestelijke heffing op verwaarloosde, ongeschikte en/of onbewoonbaar verklaarde woningen en gebouwen.
Artikel 2. Vestiging en wijze van inning
De vestiging en de inning van de gemeentebelasting gebeuren door toedoen van de Vlaamse Belastingdienst.
Artikel 3. Inwerkingtreding en bekendmaking
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Decreet houdende de Vlaamse Wooncode van 15 juli 1997, art 6-11, art. 15, art. 20, 20bis, 20ter. Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor woningen van 12 juli 2013, art 3-10.
Decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders. De gemeentelijke verordening conformiteitsattesten van 23 maart 2015, aangepast op 26 februari 2018.
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Op 31 december 2025 verstrijkt de heffingsduur van de belasting het niet hebben van een geldig conformiteitsattest op vastgesteld door de gemeenteraad op 18 oktober 2021.
De financiële toestand van de gemeente.
Overwegende dat het lokaal bestuur het belang van een goede woningkwaliteit in woningen of kamers die te huur worden aangeboden of verhuurd worden aan natuurlijke personen vooropstelt. Deze woningen of kamers op het grondgebied moeten voldoen aan de minimale veiligheids- en kwaliteitsnormen van de Vlaamse Codex Wonen.
Overwegende de conformiteit van de woningen wordt vastgesteld door bevoegde personen, aangeduid door de burgemeester, in het daartoe bestemde aanstellingsbesluit.
Artikel 1 - Belastbaar voorwerp en heffingstermijn
Er wordt voor de jaren 2026 tot en met 2031 een gemeentebelasting gevestigd op huurwoningen die niet beschikken over een geldig conformiteitsattest, overeenkomstig het reglement op het aanvragen van een conformiteitsattest.
Artikel 2 - Begripsomschrijving
Voor de toepassing van dit reglement worden onder meer volgende begrippen gebruikt:
1° aanpassing: de uitvoering van specifieke werkzaamheden om een woning te doen beantwoorden aan de woningbezetting, de gezinssamenstelling of aan de fysieke mogelijkheden van bejaarden en personen met een handicap;
2° administratie: de gemeentelijke administratieve eenheid die door de gemeenteraad belast wordt met het beheer van de gemeentelijke inventaris
3° beroepsinstantie: het college van burgemeester en schepenen
4° beveiligde zending: één van de hierna volgende betekeningswijzen:
een aangetekend schrijven;
een afgifte tegen ontvangstbewijs;
5°conformiteitsattest: een document uitgereikt door de burgemeester dat stelt dat de huurwoning op dat moment voldoet aan de minimale veiligheids-, gezondheids- of kwaliteitsnormen, opgelegd door de Vlaamse Wooncode;
6° gemeentelijk ambtenaar of technisch medewerker IGEAN: de ambtenaar of medewerker die met toepassing van de regels, vastgesteld door het College van Burgemeester en Schepenen binnen zijn ambtsgebied belast is met de opdrachten inzake woonkwaliteitsbewaking;
7° kamer: een woning waarin een toilet, een bad of douche of een kookgelegenheid ontbreken en waarvan de bewoners voor een of meer van die voorzieningen aangewezen zijn op de gemeenschappelijke ruimten in aansluitend bij het gebouw waarvan de woning deel uitmaakt; 8° onbewoonbare woning: een woning die niet in aanmerking komt voor bewoning omdat ze gebreken vertoont die een veiligheids- of een gezondheidsrisico inhouden;
9° ongeschikte woning: een woning die niet beantwoordt aan de veiligheids-, gezondheids- of kwaliteitsnormen, opgelegd door de Vlaamse Wooncode;
10° renovatie: de uitvoering van structurele ingrepen die vooral betrekking hebben op de stabiliteit, de bouwfysica of de veiligheid, aan een woning of gebouw dat bestemd is om te worden bewoond; 11° verbetering: de uitvoering van beperkte ingrepen van een woning, vooral met betrekking tot het comfort, de toegankelijkheid, de energie-efficiëntie of de privacy ten aanzien van de onmiddellijke woonomgeving;
12° woning: elk onroerend goed of het deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande.
Artikel 3 - Belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de eigenaar/verhuurder van de huurwoning die niet beschikt over een geldig conformiteitsattest zoals vermeld in art 2 §1 van het reglement op het aanvragen van een conformiteitsattest.
§2. De belasting is voor het eerst verschuldigd door de eigenaar/verhuurder:
- die ofwel nalaat een aanvraagformulier in te dienen zoals bedoeld in art. 2§2 van het reglement op het aanvragen van een conformiteitsattest en evenmin een bezwaarschrift ingediend heeft in uitvoering van art. 3 van voormeld reglement, en dit na het verstrijken van de voorziene termijn van 60 dagen; - die ofwel een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de aanvraag van een conformiteitsattest, doch dit bezwaarschrift werd onontvankelijk en/of ongegrond verklaard door de beroepsinstantie, en die nalaat een aanvraagformulier in te dienen zoals bedoeld in art. 2§2 van het reglement op het aanvragen van een conformiteitsattest binnen een termijn van 60 dagen na de uitspraak van de beroepsinstantie; - die ofwel de woningcontroleur geen toegang verleent tot het pand, na via beveiligde zending bericht te hebben ontvangen over de verplichte aanvraag van een conformiteitsattest zoals vermeld in art. 2§2 van het reglement op het aanvragen van een conformiteitsattest en deze aanvraag heeft ingediend; - die ofwel nalaat uitvoering te geven aan het eerste woningonderzoek van de daartoe bevoegde woningcontroleur en dit na het verstrijken van een termijn van 6 maanden te rekenen vanaf voormeld woningonderzoek.
Zolang de huurwoning niet beschikt over een geldig conformiteitsattest, blijft de belasting verschuldigd.
Artikel 4 - Tarief van de belasting
§1. De belasting bedraagt: € 600 per wooneenheid
§2. Indien de eigenaar-verhuurder na een periode van twaalf maanden niet beschikt over een geldig conformiteitsattest, zoals vermeld in art. 1 §2, dan bedraagt de belasting: € 1.200 per wooneenheid §3. Indien de eigenaar-verhuurder na een vierentwintig maanden niet beschikt over een geldig conformiteitsattest, zoals vermeld in art. 1 §2, dan bedraagt de belasting: €1.800 per wooneenheid.
Artikel 5 - Wijze van invordering
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 6 - Betalingstermijn
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 7 - Bezwaarprocedure
De belastingplichtige kan bezwaar indienen tegen deze belasting bij het college van burgemeester en schepenen.
Het bezwaarschrift wordt behandeld in overeenstemming met het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen (en latere wijzigingen).
Artikel 8 - Verwijzingsregel
De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Artikel 9 - Inwerkingtreding en bekendmaking
§1. Onderhavig reglement treedt in voege vanaf 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
§2. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Artikel 10 - Opheffing
Dit reglement vervangt de gemeentebelasting op het niet hebben van een geldig conformiteitsattest, behandeld op de gemeenteraad van 16 december 2019.
Artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december2017 en latere wijzigingen.
De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De grondwet, artikel 170 §4. Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
De gemeentelijke stedenbouwkundige verordening op het aanleggen van parkeerplaatsen en fietsenstallingen is recent gewijzigd en vraagt een aanpassing van de gemeentebelasting op het ontbreken van parkeerplaatsen.
Dit belastingreglement vervangt de vorige belasting voor het dienstjaar 2025 dat eindigt op 31/12/2025
De belasting betreft een doelbelasting die wordt geheven in het kader van de verplichting tot het voorzien van auto- en fietsparkeerplaatsen, zoals opgelegd in stedenbouwkundige vergunningen. Wanneer het aanleggen van deze parkeerplaatsen om stedenbouwkundige redenen niet mogelijk of niet wenselijk is, wordt in een vervangende belasting voorzien. Deze regeling beoogt een billijke compensatie voor de impact die het ontbreken van parkeerplaatsen heeft op de openbare ruimte en de mobiliteit. Het reglement bepaalt de belastingplichtigen, het bedrag van de belasting, de indexatieformule, de modaliteiten van inning en de toepassingsperiode.
FINANCIËN
Budgetcode: GBB-FIN/0020-00/7373000
Artikel 1. Termijn
De belasting op het ontbreken van autoparkeerplaatsen en fietsstallingen bij het optrekken van nieuwe gebouwen en/of bij bestemmingswijzigingen aan bestaande gebouwen vangt aan op 1 januari 2026 en eindigt op 31 december 2031 en vervangt het voorgaande reglement.
Artikel 2. Belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de houder van een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd volgens de bepalingen van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening op het aanleggen van parkeerplaatsen en fietsenstallingen buiten het openbaar domein:
a) die, op grond van deze vergunning, ontheven wordt van de verplichting of in de onmogelijkheid verkeert één of meer van de in de stedenbouwkundige vergunning voorgeschreven auto en/of fietsparkeerplaatsen aan te leggen;
b) die één of meer van de in de stedenbouwkundige vergunning verplicht aan te leggen auto en/of fietsparkeerplaatsen niet heeft aangelegd;
§2. De belasting is eveneens verschuldigd door de eigenaar die een andere bestemming geeft aan auto- en/of fietsparkeerplaatsen, welke voor een stedenbouwkundige vergunning in aanmerking kwamen, voor de berekening van het aantal nodige auto- en/of fietsparkeerplaatsen en in zoverre de inrichting blijft bestaan waaraan deze parkeerplaatsen verbonden zijn.
Artikel 3.Betaling
De belasting is verschuldigd ten laatste 6 maanden na de definitieve vaststelling van het aantal ontbrekende auto- en/of fietsparkeerplaatsen. Deze definitieve vaststelling gebeurt onmiddellijk na het verlenen van de uitvoerbare (vrij van beroepsmogelijkheden) omgevingsvergunning of wanneer wordt vastgesteld dat de houder van een omgevingsvergunning één of meer in zijn omgevingsvergunning begrepen auto- en/of fietsparkeerplaatsen niet heeft aangelegd of er een andere bestemming heeft aan gegeven.
Voor bestemmingswijzigingen geldt het ogenblik dat de bestemming van een aangelegde parkeerplaats gewijzigd wordt;
Artikel 4. Belastingbedrag
De belasting bedraagt 7.500 euro per ontbrekende autoparkeerplaats en 1.500 euro per ontbrekende fietsparkeerplaats.
Artikel 5. Indexatie
De bedragen vermeld in deze verordening zijn gekoppeld aan de gezondheidsindex en zullen jaarlijks en van rechtswege worden aangepast op 1 januari. De aanpassing gebeurt volgens de volgende formule: Aangepast bedrag = (basisbedrag x nieuw indexcijfer)/basisindexcijfer. De basisbedragen zijn de bedragen vermeld in deze verordening. Als nieuw indexcijfer geldt de gezondheidsindex van december voorafgaand aan die van de aanpassing van het bedrag. Als basisindexcijfer geldt het indexcijfer vanaf januari 2026.
Artikel 6. Invordering
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 7. Verwijzingsregel
De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Artikel 8. Inwerkingtreding en bekendmaking
Onderhavig reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december2017 en latere wijzigingen.
De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De grondwet, in het bijzonder artikel 170 §4;
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd;
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017;
De omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit;
Decreet houdende het toeristische logies van 5/2/2016;
Besluit van de Vlaamse Regering van 17/3/2017 tot uitvoering van het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies;
Gemeenteraadsbesluit betreffende de gemeentelijke heffing op tweede verblijven van 16/12/2019;
Op 31 december 2025 verstrijkt de heffingsduur van de belasting op de tweede verblijven, vastgesteld bij gemeenteraadszitting op 16 december 2019.
Een tweede verblijf is een verblijfplaats waarvoor niemand zich heeft ingeschreven in het bevolkingsregister of vreemdelingenregister. Er zijn een aantal tweede verblijven op het grondgebied van de gemeente. Een tweede verblijf geeft aanleiding tot effectief verblijf, waardoor voor de gemeente toch zekere kosten ontstaan, zowel op het gebied van administratie, veiligheid, infrastructuur en afvalbeheersing.
Door het gebruik van een woongelegenheid als tweede verblijf, leveren de bewoners of verblijfhouders van het tweede verblijf geen bijdrage in de gemeentelijke fiscaliteit. Om die reden wordt voorgesteld om een belasting op tweede verblijven in te voeren.
In het licht van het financiële doel van de belasting op tweede verblijven, is het niet onredelijk om de zakelijk gerechtigde als belastingplichtige aan te merken (Cass., 16 juni 2017, F.15.0186.N).
Gelet op de financiële toestand van de gemeente is het billijk deze belasting te heffen.
FINANCIËN
Budgetcode: GBB-FIN/0020-00/7377000
Artikel 1. Heffingstermijn - belastbaar feit
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een belasting gevestigd op tweede verblijven. De toestand op 1 januari van het aanslagjaar is bepalend voor het vaststellen van de belasting.
Artikel 2. Definities
Onder volgende begrippen wordt verstaan:
1° Tweede verblijf: elke private woongelegenheid, waarvan degene die er kan verblijven, voor deze woongelegenheid niet is ingeschreven in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister, ongeacht of het gaat om landhuizen, bungalows, appartementen, grote of kleine weekendhuizen of buitengoederen, optrekjes, chalets en alle andere vaste woongelegenheden met inbegrip van de met chalets gelijkgestelde caravans, ongeacht het feit of ze al dan niet in de kadastrale legger zijn ingeschreven. Daarentegen wordt nooit als tweede verblijf beschouwd:
- Tenten, woonaanhangwagens en verplaatsbare caravans, tenzij deze ten minste zes maanden op eenzelfde locatie blijven staan voor bewoning;
- Panden die op de gewestelijke inventaris zijn opgenomen als ongeschikt en eventueel bijkomend als onbewoonbaar. Deze panden worden geacht niet geschikt te zijn voor effectief verblijf;
- Panden die op dat moment zijn opgenomen op de gemeentelijke inventaris van leegstaande gebouwen en woningen. Deze panden worden geacht niet in gebruik te worden genomen, ook niet als tweede verblijf. Betrokkene dient eerst het pand te laten schrappen uit voormelde inventaris;
- Erkende collectieve zorg- of wooninstellingen zoals ziekenhuizen, rustoorden voor bejaarden, rust- en verzorgingstehuizen, kazernes, internaten, kloosters, opvangcentra of gevangenissen;
- Erkende hotels, B&B’s, hostels en jeugdverblijven op basis van het Decreet houdende het toeristische logies van 5/2/2016 en zoals vermeld in art. 7, 8, 10 en 10/1 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 17/3/2017 tot uitvoering van het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies;
2° Zakelijk gerechtigde: volle eigenaar, mede-eigenaar, naakte eigenaar, vruchtgebruiker, opstalhouder of erfpachter van het belaste goed;
3°. Onder een beveiligde zending wordt verstaan:
- een aangetekend schrijven;
- een elektronisch aangetekende zending;
- een afgifte tegen ontvangstbewijs.
Artikel 3. Belastingplichtige
De belastingplichtige is de natuurlijke- of rechtspersoon die op 1 januari houder is van het zakelijk recht van het tweede verblijf. In geval van samenloop van zakelijk gerechtigden, zijn alle houders van een zakelijk recht hoofdelijk gehouden tot betaling van de totale belasting.
Ingeval er een recht van opstal, een recht van erfpacht of een recht van vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door de opstalhouder, de erfpachter of de vruchtgebruiker.
Indien het tweede verblijf is verhuurd op 1 januari van het aanslagjaar, is de huurder van het tweede verblijf, zoals deze gekend is op 1 januari van het aanslagjaar, hoofdelijk aansprakelijk tot betaling van de belasting, enkel indien aan alle voorwaarden hieronder werd voldaan:
- De huurovereenkomst werd aangevat minstens 1 jaar voordat de belasting verschuldigd is;
- De huurovereenkomst vermeldt expliciet dat het pand door de huurder aangewend dient te worden als hoofdverblijfplaats;
- De huurovereenkomst werd geregistreerd door de verhuurder, zolang deze registratie verplicht is;
Indien het tweede of derde lid wordt toegepast om de belastingplichtige te bepalen, blijven alle andere zakelijk gerechtigden steeds hoofdelijk mee aansprakelijk voor de betaling van de belasting.
Artikel 4. Berekeningsgrondslag en tarieven
De belasting wordt vastgesteld op € 1.200 per tweede verblijf. De belasting is ondeelbaar en voor het gehele belastingjaar verschuldigd door de belastingplichtige, ongeacht op het tweede verblijf in de loop van het aanslagjaar zijn belastbare grondslag verliest of de zakelijk gerechtigde wijzigt.
Artikel 5. Vrijstellingen
§1. Een vrijstelling van belasting wordt toegekend mits voldaan aan de voorwaarden tot het bekomen van één van de mogelijke vrijstellingen zoals bepaald in §2. Een vrijstelling wordt schriftelijk, met toevoeging van de nodige bewijsstukken, aan de administratie aangevraagd via het aangifteformulier, dit behoudens ambtshalve toekenning. Bij twijfel over de ontvangst van de aanvraag draagt de aanvrager de bewijslast. De administratie kan bijkomende bewijsstukken opvragen en/of een controle ter plaatse uitvoeren. Een vrijstelling wordt telkens voor één aanslagjaar toegekend.
De administratie neemt een beslissing binnen een termijn van orde van twee maanden na de ontvangst van het verzoek. Indien geen beslissing wordt genomen binnen de termijn van orde, wordt de aanvraag geacht afgewezen te zijn.
Indien men zich meerdere aanslagjaren kan beroepen op dezelfde vrijstellingsgrond moet de vrijstelling, indien gewenst, elk aanslagjaar opnieuw aangevraagd worden via het aangifteformulier.
Bij elke aanvraag zal beoordeeld worden of aan de voorwaarde voor vrijstelling voldaan is. De belastingplichtige wordt schriftelijk in kennis gesteld of hij al dan niet recht heeft op de gevraagde vrijstelling. Als een vrijstelling wordt toegekend, blijft de woning belastbaar, maar moet de belasting voor dat aanslagjaar niet betaald worden.
§2. Zijn vrijgesteld van belasting voor zover aan alle voorwaarden zijn voldaan op 1 januari van het aanslagjaar:
1° De woongelegenheid waarvoor een geregistreerd huurcontract als hoofdverblijfplaats werd afgesloten of notariële akte tot verkoop werd verleden in het kalenderjaar voorafgaand aan het aanslagjaar en waarvoor er een inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister werd geregistreerd uiterlijk op 1 maart van het aanslagjaar;
2° De woongelegenheid die beschikt over een niet-vervallen omgevingsvergunning waarvan de werken gestart en gemeld zijn aan de gemeente vóór 1 januari van het aanslagjaar, of waarbij afdoende bewijzen zijn van niet-vergunningsplichtige renovatiewerken gestart in het kalenderjaar voorafgaand aan het aanslagjaar, die tot gevolg hebben dat de woning gedurende deze renovatiewerken niet geschikt is voor effectief verblijf. Ingeval van niet-vergunningsplichtige renovatiewerken kan deze vrijstelling niet worden toegekend indien voor deze woongelegenheid het voorgaande kalenderjaar dezelfde vrijstelling reeds werd toegekend. Bij renovatiewerken met omgevingsvergunning wordt de vrijstelling ambtshalve toegekend;
3° De woongelegenheid waarvan de laatste gedomicilieerde bewoner in het voorgaande kalenderjaar werd opgenomen in een erkende ouderenvoorziening of erkende zorginstelling, en zich daar sindsdien, behoudens overlijden, onafgebroken heeft gedomicilieerd. Deze vrijstelling wordt enkel toegekend voor woongelegenheden die het voorgaande jaar niet het voorwerp waren van de belasting op tweede verblijven;
4° De woongelegenheid waarvan de belastingplichtige geen einde kan stellen aan de belastbare toestand ingevolge een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vrijstelling kan maar worden toegekend indien de belastingplichtige kan bewijzen dat hij – zoals een ‘goed huisvader’ – tijdig alles in het werk heeft gesteld om de ongewilde situatie op te lossen en op voorwaarde dat de ernst van de zaak de normale ingebruikname van het onroerend goed verhindert;
Artikel 6. Aangifteplicht
§1. De belastingplichtigen, vermeld in art. 3 van dit reglement, zijn ertoe gehouden uiterlijk op 1 mei van het aanslagjaar aangifte te doen van het tweede verblijf dat zij bezitten op het grondgebied van de gemeente. De aangifte moet worden gedaan op het formulier dat de gemeente ter beschikking stelt.
De belastingplichtigen die geen formulier zouden ontvangen hebben, zijn niettemin verplicht spontaan aan de gemeente de gegevens te verstrekken die nodig zijn voor de toepassing van deze belasting en dit uiterlijk op 1 mei van het aanslagjaar.
§2. De aangifte moet alle gegevens bevatten, die noodzakelijk zijn voor de berekening en de controle van de aanslag. Ze dient ondertekend te worden en van datum voorzien door de belastingplichtige.
§3. Indien de belastingplichtige zich wenst te beroepen op een vrijstelling overeenkomstig de bepalingen vermeld in art. 5 §2 van dit reglement, dient deze desgevallend de nodige bewijsstukken tot het bekomen van een vrijstelling toe te voegen aan de aangifte.
Artikel 7. Controlemiddelen
De aangestelde ambtenaren zijn gemachtigd om alle inbreuken op deze verordening vast te stellen. De door hun opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.
Artikel 8. Ambtshalve belasting
Bij gebrek aan tijdige aangifte binnen de in art. 6 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte kan de belastingplichtige ambtshalve worden belast volgens de gegevens waarover de gemeente beschikt, onverminderd het recht op bezwaar en beroep. Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting. De belastingplichtige beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen te rekenen van de derde werkdag die volgt op de datum van verzending van die kennisgeving om zijn opmerkingen schriftelijk voor de dragen. De bepalingen in dit lid zijn in overeenstemming met de bepalingen vermeld in art. 7 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Artikel 9. Belastingverhoging
Het bedrag, vermeld in art. 4 van dit reglement, van de ambtshalve vastgestelde belasting, vermeld in art. 8 van dit reglement, wordt verhoogd met:
- 10% bij een eerste overtreding;
- 25%, 50% en 100% bij respectievelijk een tweede, derde en vierde opeenvolgende overtreding;
- 200% vanaf een vijfde opeenvolgende overtreding;
Wanneer voor een aanslagjaar de aangifte alsnog tijdig en correct wordt ingediend na verzending van de verwittiging van ambtshalve vaststelling, wordt geen verhoging toegepast.
Voor het niet naleven van de bepalingen van dit belastingreglement of van het decreet van 30 mei 2008 kan een administratieve geldboete gelijk aan € 500 worden opgelegd. Het bedrag van de administratieve boete wordt ingekohierd.
Artikel 10. Wijze van invordering
De belasting wordt ingevorderd bij wijze van kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar wordt verklaard door het college van burgemeester en schepenen.
Wanneer een belastingverhoging wordt toegepast zoals vermeld in art. 9 van dit reglement, wordt het bedrag van deze verhoging mee ingevorderd met de basisbelasting, door middel van een kohier, dat vastgesteld en uitvoerbaar wordt verklaard door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 11. Betalingstermijn
De belasting is betaalbaar binnen de twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 12. Verwijzingsregel vestiging, invordering, geschillen
De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzingen.
Artikel 13. Bekendmaking
Onderhavig reglement wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017:
Artikel 40, §3 en artikel 41, 14°: bevoegdheid van de gemeenteraad om belastingreglementen vast te stellen, wijzigen en goed te keuren.
Artikelen 286-288: regels voor bekendmaking en inwerkingtreding.
Artikel 330: bestuurlijk toezicht op belastingreglementen.
Om bij te dragen aan de financiering van toeristische infrastructuur, promotie en dienstverlening, wenst de gemeente een belasting in te voeren op het aanbieden van toeristische logies. Deze maatregel sluit aan bij het beleid om toerisme op een duurzame en evenwichtige manier te ondersteunen.
Het gemeentebestuur van Aartselaar wenst voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een belasting te heffen op overnachtingen in toeristische logies die plaatsvinden op het grondgebied van de gemeente. Deze belasting is bedoeld als een bijdrage van toeristische bezoekers aan de lokale infrastructuur en dienstverlening. Het belastingreglement definieert duidelijk wat onder toerist en toeristisch logies wordt verstaan en maakt een onderscheid tussen kamer- en terrein gerelateerde logies, met elk een afzonderlijk tarief. De belasting is verschuldigd door de exploitant van het logies, waarbij ook de eigenaar hoofdelijk aansprakelijk kan zijn. Het reglement voorziet in vrijstellingen voor bepaalde verblijven en voor toeristen jonger dan 12 jaar. Daarnaast worden bepalingen opgenomen rond de wijze van inning, aangifte- en meldingsplicht, sancties bij niet-naleving, administratieve geldboetes en de bezwaarprocedure. Het geheel beoogt een correcte, transparante en handhaafbare toepassing van de toeristenbelasting.
FINANCIËN
Budgetcode: GBB-FIN/0020-00/7341900 "Toeristenbelasting"
Artikel 1: Het belastbaar voorwerp
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een belasting geheven op de overnachtingen in toeristische logies op het grondgebied van de gemeente Aartselaar.
Artikel 2: Definities
Voor de toepassing van het reglement wordt verstaan onder:
1) Toerist: elke persoon die zich met het oog op vrijetijdsbesteding, ontspanning, persoonlijke ontwikkeling, beroepsuitoefening of zakelijk contact begeeft naar of verblijft in een andere dan zijn alledaagse leefomgeving.
2) Toeristisch logies: elke constructie, inrichting, ruimte of terrein, in eender welke vorm, dat aan één of meer toeristen tegen betaling de mogelijkheid tot verblijf biedt voor één of meer nachten en dat wordt aangeboden op de toeristische markt of welke werd aangemeld bij Toerisme Vlaanderen en een erkenning heeft ontvangen.
Zijn geen toeristische logies:
3) Kamer gerelateerde logies: een toeristische logies met één of meer verhuureenheden of een ruimte die mogelijkheid tot verblijf biedt.
4) Terrein gerelateerde logies: een toeristisch logies in centraal beheer waar op een afgebakend terrein wordt gekampeerd of verbleven in verplaatsbare of niet-verplaatsbare verblijven, of dat daarvoor bestemd of ingericht is.
5) Aanbieden op de toeristische markt: het op eender welke wijze publiek aanbieden van een toeristische logies, hetzij als exploitant, hetzij via een tussenpersoon.
6) Exploitant: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een toeristisch logies exploiteert, voor de rekening van wie een toeristisch logies wordt geëxploiteerd of die tot de exploitatie wordt gemachtigd op grond van een rechtsgeldige exploitatieovereenkomst.
7) Tussenpersoon: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op eender welke wijze tegen betaling bemiddelt bij het aanbieden van een toeristisch logies op de toeristische markt, promotie maakt voor een toeristisch logies of diensten aanbiedt via dewelke exploitanten en toeristen rechtstreeks met elkaar in contact kunnen treden. 2
Artikel 3: Tarief en berekening
a. Algemene bepalingen. De belasting is verschuldigd per jaar. Een overnachting die start in jaar N en eindigt in jaar N+1 wordt beschouwd als een overnachting die heeft plaatsgevonden in jaar N+1.
b. Overnachtingen in terrein gerelateerde logies De belasting bedraagt 0,50 EUR per toerist per overnachting.
c. Overnachtingen in kamer gerelateerde logies De belasting bedraagt 2,00 EUR per toerist per overnachting.
Artikel 4: Belastingplichtige
De belasting is verschuldigd door de exploitant.
De eigenaar(s) van het onroerend goed waarin de exploitatie is gevestigd, is (zijn) hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting. Indien de exploitant zijn exploitatie stopt of overdraagt in de loop van een kwartaal, is de exploitant de belasting verschuldigd voor de overnachtingen die hebben plaatsgevonden tijdens de periode dat hij de toeristische logies heeft aangeboden.
In geval van overdracht is de overnemende exploitant de belasting verschuldigd voor de overnachtingen die hebben plaatsgevonden vanaf de datum van overdracht. In geval van een overnachting die start in de exploitatieperiode van de overdragende exploitant en eindigt in de exploitatieperiode van de overnemende exploitant, is de belasting verschuldigd door de overnemende exploitant.
Artikel 5: Vrijstellingen
Zijn van de belasting vrijgesteld:
Artikel 6: Wijze van inning
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat wordt vastgesteld en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen. De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 7: Aangifteplicht en meldingsplicht aangifteplicht
De belastingplichtige moet ten laatste binnen de 14 dagen na afloop van het ieder kwartaal van aanslagjaar aangifte doen bij het gemeentebestuur – afdeling financiën van het aantal overnachtingen die hebben plaatsgevonden in het afgelopen kwartaal. Meer bepaald voor 15 april voor het 1ste kwartaal van het aanslagjaar, voor 15 juli voor het 2de kwartaal van het aanslagjaar, voor 15 oktober voor het 3de kwartaal van het aanslagjaar en voor het 4de kwartaal voor 15 januari volgend op het aanslagjaar.
De aangifte kan via één van de volgende kanalen worden ingediend:
MELDINGSPLICHT
De exploitant moet ingeval van stopzetting of overdracht dit onmiddellijk meedelen aan het gemeentebestuur, met in desbetreffend geval de gegevens van de overnemer (ondernemingsnummer, benaming en adresgegevens). Elke nieuwe exploitant die zich vestigt op het grondgebied moet dit binnen een periode van een maand na aanvang van de exploitatie meedelen aan het gemeentebestuur. Deze meldingen kunnen gebeuren via een van de volgende kanalen:
Artikel 8: Procedure van ambtshalve vaststelling en bijhorende belastingverhoging
Bij gebrek aan aangifte binnen de in artikel 7 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, kan de belasting ambtshalve worden ingekohierd conform de procedure voorzien in artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008. De ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met:
Artikel 9: Administratieve geldboete
Een administratieve geldboete van 90,00 EUR wordt opgelegd indien de meldingsplicht, zoals bepaald in artikel 7, niet wordt gerespecteerd.
Een administratieve geldboete van 250,00 EUR wordt opgelegd in geval van:
Deze boetes zijn cumuleerbaar. Deze boete kan ook opgelegd worden aan een derde, niet-belastingplichtige. De administratieve geldboete wordt ingevorderd door middel van een kohier dat wordt vastgesteld en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen. De administratieve geldboete moet betaald worden binnen twee maanden na verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 10: Bezwaarprocedure
De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan bezwaar indienen tegen deze belasting en de administratieve geldboetes voorzien in dit reglement bij het college van burgemeester en schepenen. Het bezwaar moet schriftelijk worden ingediend en worden gemotiveerd. De indiening moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag. Bezwaren kunnen, met de nodige bewijsstukken, worden ingediend via één van volgende kanalen:
De Grondwet, artikel 170 §4.
Het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
Het Decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, zoals laatst gewijzigd.
Het Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, zoals laatst gewijzigd.
De Omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit.
Op 31 december 2025 verstrijkt de heffingsduur van de belasting op opslagplaatsen van rijklare tweedehandsvoertuigen, afgedankte voertuigen, autowrakken en schrootafvalstoffen vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2019, wijzigingen goedgekeurd door de gemeenteraad op 19 mei 2025.
Het is verantwoord een gemeentebelasting te heffen op de opslagplaatsen van rijklare tweedehandsvoertuigen, afgedankte voertuigen, autowrakken en schrootafvalstoffen, gevestigd op het grondgebied van de gemeente Aartselaar, om redenen van:
Overlast, vervuiling van de omgeving en lawaai, zowel overdag, als ’s avonds en ’s nachts;
Degradatie van de betrokken woon- en K.M.O.-kavels als gevolg van het gebrek aan preventieve milieumaatregelen;
Verkeersproblemen allerlei: dubbel en/of foutief parkeren van voertuigen en/of onrechtmatige inname van het openbaar domein, veroorzaakt door zowel de vrachtwagens die tweedehandsvoertuigen en/of autowrakken komen laden/lossen als door de voertuigen van de bezoekers van deze opslagplaatsen;
Verhoogde veiligheidsrisico ’s voor de omwonenden en de andere weggebruikers ten gevolge van de onaangepaste gedragingen van de betrokken uitbaters, van de vrachtwagenbestuurders die ter plaatse komen laden en lossen, en van de bezoekers.
Opslagplaatsen verbonden aan een garage en die gelegen zijn op hetzelfde kadastraal perceel zijn voornamelijk bedoeld voor het showen en uitstallen van nieuwe wagens. Problemen rond overlast, verkeersproblemen en veiligheidsrisico’s stellen zich niet voor opslagplaatsen verbonden aan een garage en die gelegen zijn op hetzelfde kadastraal perceel.
FINANCËN
Budgetcode: GBB-FIN/0020-00/7341700: “stapelplaatsen voor schroot/oude achtergelaten voertuigen/materialen”.
Artikel 1 - Heffingstermijn - belastbaar feit
Voor aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een belasting te vestigen op opslagplaatsen van rijklare tweedehandsvoertuigen, afgedankte voertuigen, autowrakken en/of schrootafvalstoffen, gevestigd op het grondgebied van de gemeente Aartselaar.
Artikel 2 - Definities
Een voertuig is elk gemotoriseerd transportmiddel, met uitzondering van vaartuigen.
Een voertuigwrak is een voertuig dat een afvalstof is, m.a.w. waarvan de houder zich ontdoet, zich wil ontdoen of zich moet ontdoen.
Een rijklaar tweedehandsvoertuig is elk tweedehandsvoertuig dat is voorzien van de wettelijk vereiste boorddocumenten (gelijkvormigheidsattest, inschrijvings- en keuringsbewijs) of waarvan de eigenaar deze documenten binnen de maand kan voorleggen.
Onder schroot wordt verstaan metaalafval, onderdelen en brokstukken van de gestalde voertuigen, ongeacht de restwaarde, in die zin te beschouwen als afvalstof waarvan de houder zich ontdoet, zich wil ontdoen of zich moet ontdoen.
Artikel 3 - Belastingplichtige
De belasting is solidair en ondeelbaar verschuldigd door de eigenaar van de handelszaak, de uitbater ervan en de eigenaar van het eigendom waar al dan niet een economische activiteit wordt gehouden.
Artikel 4 - Berekeningsgrondslag en tarieven
§1. Het bedrag van deze belasting wordt per opslagplaats en/of verkooppunt vastgesteld op 6,00 euro /m², met een minimumbedrag van 600 euro en een maximumbedrag van 6.000 euro.
§2. In geval van een tijdelijke of een definitieve administratieve sluiting van de zaak omwille van een sanctie, opgelegd door daartoe bevoegde overheden, kunnen de belastingplichtigen op geen enkele schadeloosstelling aanspraak maken.
§3. Elke wijziging of stopzetting van economische activiteit dient onder de verantwoordelijkheid van de belastingplichtigen onmiddellijk en per aangetekend schrijven te worden meegedeeld aan de gemeente.
Artikel 5 - Vrijstelling
Opslagplaatsen verbonden aan een garage worden hiervan vrijgesteld indien ze op hetzelfde kadastraal terrein gelegen zijn. Voor de toepassing van de vrijstelling wordt onder garagehouder verstaan: wie als hoofdbezigheid de verkoop van nieuwe wagens heeft.
Artikel 6 - Aangifteplicht
De belastingplichtige, vermeld in artikel 3, is ertoe gehouden uiterlijk op 30 september van het aanslagjaar aangifte te doen bij de gemeente van opslagplaatsen van rijklare tweede-handsvoertuigen, afgedankte voertuigen, autowrakken en/of schrootafvalstoffen, gevestigd op het grondgebied van de gemeente Aartselaar.
Als aangiftedatum geldt de datum van verzending of - bij afgifte - de datum vermeld op het ontvangstbewijs. Valt de uiterste aangiftedatum op een zaterdag of een zondag, dan wordt de vervaldag naar de eerstvolgende werkdag verplaatst.
De aangifte moet alle gegevens bevatten, die noodzakelijk zijn voor de berekening en de controle van de aanslag. Het aangifteformulier is ter beschikking gesteld op de gemeentelijke website en kan worden opgevraagd bij de gemeente.
De belastingplichtige die na 30 september van het aanslagjaar belastingplichtig wordt of die de oorspronkelijk opgegeven oppervlakte van de opslagplaatsen heeft vergroot of zich in orde heeft gesteld met de stedenbouwkundige en milieuvoorschriften, is verplicht uit eigen beweging hiervan binnen de 20 dagen aangifte te doen bij het gemeentebestuur en uiterlijk op 31 december van het aanslagjaar.
Artikel 7 - Controlemiddelen
De aangestelde personeelsleden zijn gemachtigd om alle inbreuken op deze verordening vast te stellen. De door hun opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.
Artikel 8 - Ambtshalve belasting
§ 1. Bij gebrek aan tijdige aangifte binnen de in artikel 6 gestelde termijn, of bij onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, kan de belasting ambtshalve gevestigd worden.
§ 2. Ingeval van een ambtshalve aanslag wordt de belasting gevestigd op basis van gegevens, waarover de gemeente beschikt.
§ 3. Vooraleer de belasting ambtshalve wordt gevestigd, brengt het college van burgemeester en schepenen de belastingplichtige, per aangetekend schrijven op de hoogte van de redenen waarom ze gebruik maakt van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting. De belastingplichtige beschikt over een termijn van 30 dagen te rekenen van de derde werkdag die volgt op de datum van verzending van de kennisgeving om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
§ 4. Indien de belastingplichtige, nadat het college van burgemeester en schepenen per aangetekend schrijven de motieven om gebruik te maken van de ambtshalve procedure aan de belastingplichtige heeft betekend, een laattijdige, maar correcte en ondertekende aangifte doet binnen de 30 dagen volgend op de derde werkdag die volgt op de datum van verzending van deze betekening, kan het college beslissen om deze aangifte toch te aanvaarden en de procedure van de ambtshalve invordering stopzetten.
§ 5. De ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag kan slechts geldig worden ingekohierd gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari van het aanslagjaar. Deze termijn wordt met twee jaar verlengd bij overtreding van de belastingverordening met het oogmerk te bedriegen of met de bedoeling schade te berokkenen. Als een belasting ambtshalve is gevestigd, moet de belastingplichtige het bewijs leveren van de juistheid van de door hem ingeroepen elementen.
Artikel 9 - Belastingverhoging
§ 1. Ingeval van een eerste ambtshalve inkohiering wordt de ambtshalve ingekohierde belasting verhoogd met 25 % aan het verschuldigde belastingbedrag. Vanaf de tweede ambtshalve inkohiering wordt de ambtshalve ingekohierde belasting verhoogd met 50% van het verschuldigde belastingbedrag.
§ 2. Deze belastingverhogingen worden gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.
Artikel 10 - Wijze van invordering
De belasting wordt ingevorderd bij wijze van kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 11 - Betalingstermijn
De belasting is betaalbaar binnen de twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 12 - Verwijzingsregel
De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Artikel 13 - Opheffing
Het gemeentelijk belastingreglement op opslagplaatsen van rijklare tweedehandsvoertuigen, afgedankte voertuigen, autowrakken en schrootafvalstoffen voor de dienstjaren 2020-2025, goedgekeurd in de gemeenteraad van 16 december 2019, en latere wijziging goedgekeurd door de gemeenteraad op 19 mei 2025, wordt opgeheven en vervangen door onderhavig reglement.
Artikel 14 - Inwerkingtreding en bekendmaking
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De grondwet, artikel 170 §4.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, zoals laatst gewijzigd.
De omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit.
Op 31 december 2025 verstrijkt de heffingsduur van de belasting op brandstofapparaten vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2019, wijzigingen goedgekeurd door de gemeenteraad op 19 mei 2025.
Omwille van de financiële toestand van de gemeente is het billijk deze belasting te heffen.
Daarnaast hebben brandstofapparaten dewelke gebruikt worden voor de bevoorrading van aanrijdende voertuigen mobiliteitsoverlast, geluidsoverlast en vervuiling tot gevolg.
Deze overlast en vervuiling neemt exponentieel toe naarmate het aantal brandstofapparaten toeneemt. De belasting heeft dan ook tot doel om deze overlast en vervuiling te compenseren en om het aantal apparaten binnen de perken te houden.
Het tarief kan pas ontradend en effectief zijn als het hoog genoeg is, maar het mag daarnaast niet zo hoog zijn dat de vrijheid van handel in het gedrang wordt gebracht.
Aangezien deze specifieke overlast enkel aanwezig is bij die brandstofapparaten dewelke gebruikt worden voor de publieke bevoorrading van aanrijdende voertuigen, worden de brandstofapparaten dewelke niet gebruikt worden voor publieke bevoorrading vrijgesteld van de belasting.
FINANCIËN
Budgetcode GBB-FIN/0020-00/7360500 “Benzine-, olie- persdrukpompen”.
Artikel 1 - Heffingstermijn - belastbaar voorwerp
Voor aanslagjaren 2026-2031 een belasting te vestigen op brandstofapparaten.
Artikel 2 - Definities
Onder brandstofapparaten wordt verstaan:
olie-, benzine- of alle andere brandstofverdelingsapparaten die langs de openbare weg, al dan niet op privéterrein zijn opgesteld en gebruikt worden tot bevoorrading van aanrijdende voertuigen.
Artikel 3 - Belastingplichtige
De belasting is verschuldigd door de rechtstreekse uitbater van het toestel.
Artikel 4 - Berekeningsgrondslag en tarieven
§1. De belasting is vastgesteld op 180 euro per jaar en per slang.
§2. De jaarlijkse belasting is in haar geheel verschuldigd voor de toestellen die in de loop van het eerste halfjaar opgesteld staan of worden. Zij wordt met de helft verminderd voor de toestellen die na 30 juni geplaatst of voor 1 juli afgebroken worden.
§3. De belasting wordt eveneens met de helft verminderd voor de toestellen die in de loop van het belastingjaar gedurende een ononderbroken periode van ten minste zes maanden niet gebruikt worden, op voorwaarde dat de buitengebruikstelling bij aangetekende brief wordt bekend gemaakt aan het college van burgemeester en schepenen. De datum waarop deze kennisgeving op het gemeentebestuur toekomt, wordt als vertrekpunt genomen voor het vaststellen van de vermindering. §4. In geval van overgave in de loop van het eerste semester, is de overgever de halve en de overnemer de gehele belasting verschuldigd; de overgever wordt voor het hele jaar belast en de overnemer voor een half jaar, wanneer de overgave geschiedt in de loop van het tweede semester.
Artikel 5 - Vrijstellingen
Zijn vrijgesteld van belasting:
Toestellen, niet gebruikt voor publieke bevoorrading;
Toestellen in privé-eigendommen (bv. garages) geplaatst wanneer geen enkele aanduiding naar buiten is gebracht die wijst op olie- of brandstofverkoop en deze apparaten niet gebruikt worden voor bevoorrading van aanrijdende voertuigen.
Artikel 6 - Aangifteplicht
De belastingplichtigen, vermeld in artikel 3, zijn ertoe gehouden uiterlijk op 30 juni van het aanslagjaar aangifte te doen van bestaande toestellen dat zij bezitten op het grondgebied van de gemeente.
De belastingplichtigen, vermeld in artikel 3, zijn ertoe gehouden uiterlijk op 31 december van het aanslagjaar aangifte te doen van nieuwe brandstofapparaten daterende van na 30 juni van het aanslagjaar dat zij bezitten op het grondgebied van de gemeente.
Als aangiftedatum geldt de datum van verzending of - bij afgifte - de datum vermeld op het ontvangstbewijs. Valt de uiterste aangiftedatum op een zaterdag of een zondag, dan wordt de vervaldag naar de eerstvolgende werkdag verplaatst.
De aangifte moet alle gegevens bevatten, die noodzakelijk zijn voor de berekening en de controle van de aanslag. Het aangifteformulier is ter beschikking gesteld op de gemeentelijke website en kan worden opgevraagd bij de gemeente.
Artikel 7 - Controlemiddelen
De aangestelde personeelsleden zijn gemachtigd om alle inbreuken op deze verordening vast te stellen. De door hun opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.
Artikel 8 - Ambtshalve belasting
Bij gebrek aan tijdige aangifte binnen de in artikel 6 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte kan de belastingplichtige ambtshalve worden belast volgens de gegevens waarover de gemeente beschikt, onverminderd het recht op bezwaar en beroep. Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen te rekenen van de derde werkdag die volgt op de datum van verzending van die kennisgeving om zijn opmerkingen schriftelijk voor de dragen.
Artikel 9 - Belastingverhoging
De overeenkomstig artikel 8 ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan de verschuldigde belasting.
Het bedrag van deze verhoging wordt ook ingekohierd.
Artikel 10 - Wijze van invordering
De belasting wordt ingevorderd bij wijze van kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 11 - Betalingstermijn
De belasting is betaalbaar binnen de twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 12 - Verwijzingsregel
De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzingen.
Artikel 13 - Opheffing
Het gemeentelijk belastingreglement op brandstofapparaten voor de dienstjaren 2026-2031, goedgekeurd door de gemeenteraad van 16 december 2019 en gewijzigd door de gemeenteraad van 23 november 2020 en gewijzigd door de gemeenteraad op 19 mei 2025 wordt voor aanslagjaren 2026-2031 opgeheven en vervangen door onderhavig reglement.
Artikel 14 - Inwerkingtreding en bekendmaking
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
Het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, zoals laatst gewijzigd.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, zoals laatst gewijzigd.
Het besluit van de Vlaamse regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA), zoals laatst gewijzigd.
Op 31 december 2025 verstrijkt de heffingsduur van de belasting op de huis-aan-huis verspreiding van reclamedrukwerk en daarmee gelijkgestelde producten vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2019, wijzigingen goedgekeurd door de gemeenteraad op 19 mei 2025.
De verspreiding van dergelijk drukwerk dient beperkt te worden om zo het milieu minder te belasten. Tevens wordt de belasting geheven als compensatie voor de ophaalkosten dewelke de huis-aan-huis verspreiding van reclamedrukwerk en daarmee gelijkgestelde producten tot gevolg heeft.
FINANCIËN
Budgetcode: GBB-FIN/0020-00/7342400 "Verspreiding kosteloos reclamedrukwerk"
Artikel 1 - Heffingstermijn - belastbaar voorwerp
Voor aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een belasting op de huis – aan - huis verspreiding van reclamedrukwerk en daarmee gelijkgestelde producten te vestigen.
Artikel 2 - Definities
§1. Onder reclamedrukwerk wordt verstaan: elke publicatie van minimum drie pagina's, die ertoe strekt bekendheid te geven aan commerciële activiteiten, handelszaken, merknamen en andere elementen en die erop gericht is een potentieel cliënteel ertoe te bewegen gebruik te maken van de diensten en/of producten van de adverteerder.
§2. Onder gelijkgestelde producten wordt verstaan: de stalen of reclamedragers van gelijk welke aard die aanzetten tot gebruik of verbruik van het aangeprezen product of de aangeboden dienst. §3. Onder huis-aan-huis verspreiding wordt verstaan: het systematisch achterlaten van het drukwerk zonder adressering in de brievenbussen van woningen, zonder dat de bestemmeling hiervoor enig initiatief heeft betoond.
Artikel 3 - Belastingplichtige
De belasting is verschuldigd door de natuurlijke persoon of rechtspersoon, de verantwoordelijk uitgever van het betreffende reclamedrukwerk, of, indien die niet gekend zijn, door diegenen onder wiens handelsnaam, logo of embleem, de reclame wordt gevoerd.
Er wordt geen vrijstelling van de belasting verleend voor de belastingplichtigen die in het Vlaams Gewest de reële kostprijs van de inzameling en recyclage van het oud papier afkomstig van hun drukwerken betalen via het "Interventiefonds Oud Papier" dat in het kader van de milieubeleidsovereenkomst reclamedrukwerk afvalstoffen werd ingesteld.
Artikel 4 - Berekeningsgrondslag en tarieven
§1. Het verschuldigd bedrag van de belasting wordt vastgesteld op € 240,00 per bedeling.
§2. De belasting is verschuldigd telkenmale er een huis–aan-huis verspreiding van reclamedrukwerk van minimum drie pagina's of daarmee gelijkgesteld product plaatsvindt.
Artikel 5 - Vrijstellingen
Volgend drukwerk is vrijgesteld van de belasting: notariële aankondigingen, publicaties van gemeentelijke organen of van het O.C.M.W., van scholen, van politieke partijen en van Aartselaarse verenigingen.
Artikel 6 - Aangifteplicht
De belastingplichtige, vermeld in artikel 3, is gehouden aan het gemeentebestuur de voor de aanslag noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen.
• De verspreidingen die plaatsvinden in januari-februari-maart van het aanslagjaar dienen uiterlijk op 15 april van het aanslagjaar aangegeven te worden;
• De verspreidingen die plaatsvinden april-mei-juni van het aanslagjaar dienen uiterlijk op 15 juli van het aanslagjaar aangegeven te worden;
• De verspreidingen die plaatsvinden in juli-augustus-september van het aanslagjaar dienen uiterlijk op 15 oktober van het aanslagjaar aangegeven te worden;
• De verspreidingen die plaatsvinden in oktober-november-december van het aanslagjaar dienen uiterlijk op 15 januari van het jaar volgend op het aanslagjaar aangegeven te worden.
Als aangiftedatum geldt de datum van verzending of - bij afgifte - de datum vermeld op het ontvangstbewijs. Valt de uiterste aangiftedatum op een zaterdag of een zondag, dan wordt de vervaldag naar de eerstvolgende werkdag verplaatst.
De aangifte moet alle gegevens bevatten, die noodzakelijk zijn voor de berekening en de controle van de aanslag. De aangifte moet vergezeld zijn van een specimen van het te verspreiden drukwerk of daarmee gelijkgesteld product. Het aangifteformulier is ter beschikking gesteld op de gemeentelijke website en kan worden opgevraagd bij de gemeente.
Artikel 7 - Controlemiddelen
De aangestelde ambtenaren zijn gemachtigd om alle inbreuken op deze verordening vast te stellen. De door hun opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.
Artikel 8 - Ambtshalve belasting
Bij gebreke van een aangifte binnen de in artikel 6 vastgestelde termijn of bij onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte wordt de belastingplichtige ambtshalve belast volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht van bezwaar en beroep.
Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college van burgemeester en schepenen aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen te rekenen van de derde werkdag die volgt op de verzending van die betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
Artikel 9 - Belastingverhoging
Het overeenkomstig artikel 8 ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan de verschuldigde belasting. Het bedrag van deze verhoging wordt ingekohierd.
Artikel 10 - Wijze van invordering
De belasting wordt ingevorderd bij wijze van kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 11 - Betalingstermijn
De belasting is betaalbaar binnen de twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 12 - Verwijzingsregel
De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Artikel 13 - Opheffing
Het gemeentelijk belastingreglement op de verspreiding van niet-geadresseerde drukwerken en van gelijkgestelde producten – vaststelling voor de dienstjaren 2020-2025, goedgekeurd door de gemeenteraad van 16 december 2019 en de wijziging van het belastingreglement aanslagjaar 2025 goedgekeurd door de gemeenteraad van 19 mei 2025 wordt vanaf 1 januari 2026 opgeheven en vervangen door onderhavig reglement.
Artikel 14 - Inwerkingtreding en bekendmaking
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De grondwet, artikel 170 §4.
De wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten, zoals laatst gewijzigd. Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017. De omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit.
Op 31 december 2025 verstrijkt de heffingsduur van de belasting op ambulante activiteiten, vastgesteld door de gemeenteraad van 16 december 2019.
Het voorgestelde reglement voorziet in een jaarlijkse belasting van 225 euro op ambulante activiteiten die buiten de openbare markten of kermissen worden uitgeoefend. De belasting is verschuldigd door de ambulante handelaar en wordt contant geïnd, tenzij anders mogelijk is via inkohiering. Het reglement bepaalt duidelijke definities, voorziet in uitzonderingen voor eenmalige verkopen tijdens gemeentelijke of lokale evenementen en regelt de invordering en geschillenbehandeling overeenkomstig het decreet van 30 mei 2008 betreffende de provincie- en gemeentebelastingen. De bepalingen treden in werking op 1 januari 2026 na goedkeuring door de gemeenteraad.
Artikel 1. Heffingstermijn - belastbaar voorwerp
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een contante belasting gevestigd op de uitoefening van ambulante activiteiten, met uitsluiting van deze die worden uitgeoefend op de openbare markten of kermissen.
Artikel 2. Definities
Voor de toepassing van dit reglement wordt als ambulante activiteit beschouwd de verkoop, de te koop aanbieding en uitstalling met het oog op de verkoop van producten en diensten aan de consument door een handelaar buiten zijn vestiging(en) ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen , hetzij door elke andere persoon die niet over dergelijke vestiging beschikt. Uitzondering op deze regel zijn de éénmalige verkopen, braderijen of andere markten waarbij koopwaar op de openbare weg wordt aangeboden, ter gelegenheid van evenementen georganiseerd door de gemeente of plaatselijke verenigingen.
Artikel 3. Belastingplichtige
De belasting is verschuldigd door de ambulante handelaar.
Artikel 4. Berekeningsgrondslag en tarieven
De belasting wordt vastgesteld op 225 euro per jaar.
Artikel 5. Wijze van invordering
§1. Deze gemeentebelasting wordt contant ingevorderd tegen afgifte van een kwitantie.
§2. Bij gebrek aan contante betaling zal worden overgegaan tot inkohiering.
Artikel 6. Verwijzingsregel
De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Artikel 7. Inwerkingtreding en bekendmaking
Dit reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 24 december 2025 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De Grondwet, artikel 170 §4.
Wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening.
Vlaamse Codex Fiscaliteit, artikel 2.12.4.0.2
Het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
Het Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, zoals laatst gewijzigd.
De omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit.
Op 31 december 2025 verstrijkt de heffingsduur van de belasting op nachtwinkels, private bureaus voor telecommunicatie en wedkantoren, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2019 en gewijzigd op 19 mei 2025.
Gezien de financiële toestand van de gemeente.
Nachtwinkels, private bureaus voor communicatie en wedkantoren vormen door de aard en het tijdstip van hun activiteiten een bijkomende belasting voor de gemeentelijke veiligheidsdiensten en andere openbare diensten die instaan voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid, in vergelijking met andere types handelszaken.
Dat deze specifieke hinder ook blijkt uit de vereiste van speciale uitbatingsvergunningen. Dat een teveel aan dergelijke zaken de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van het winkelapparaat schaadt.
Dat deze neerwaartse evolutie door gerichte acties moet worden tegengehouden, zodat een verscheiden en kwaliteitsvol aanbod van handelszaken kan blijven bestaan.
Dat de eigenaars van de panden zich bewust moeten zijn van het feit dat zij een grote medeverantwoordelijkheid dragen bij verhuur van hun goed voor activiteiten die de openbare orde verstoren, de netheid aantasten en het imago van het winkelapparaat schaden, reden waarom zij solidair en ondeelbaar gehouden zijn tot betaling van deze belasting.
Dat de belasting op de nachtwinkels, private bureaus voor communicatie en wedkantoren de financiële toestand van de gemeente in overweging neemt en als doel heeft enerzijds een bijdrage in de kosten te leveren voor het bestrijden van de overlast en anderzijds een doordacht lokaal economisch beleid in de handelskernen te voeren.
Dat voor wedkantoren artikel 2.12.4.0.2 Vlaamse Codex Fiscaliteit een maximale tarifering bepaalt. Bijgevolg is het wenselijk om een belasting te heffen op de nachtwinkels, private bureaus voor communicatie en wedkantoren, zodat op die manier wordt bijgedragen in de gemeentelijke uitgaven.
FINANCIËN
Budgetcode GBB-FIN/0020-00/7340800: “Nachtwinkels en phoneshops”.
Artikel 1 - Heffingstermijn - belastbaar feit
Voor aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een belasting te vestigen op nachtwinkels, private bureaus voor telecommunicatie en wedkantoren gelegen op het grondgebied van de gemeente Aartselaar.
Artikel 2 - Definities
Voor de toepassing van dit belastingreglement wordt verstaan onder:
• Nachtwinkel: elke winkel die in algemene voedingswaren en huishoudartikelen handelt en tussen 18.00 uur en 02.00 uur open is;
• Privaat bureau voor telecommunicatie: iedere voor het publiek toegankelijke vestigingseenheid voor het verlenen van telecommunicatiediensten;
• Wedkantoor: een agentschap dat weddenschappen aanneemt op paardenrennen gelopen in het buitenland.
Artikel 3 - Belastingplichtige
De belasting is solidair en ondeelbaar verschuldigd door de eigenaar van de handelszaak, de uitbater ervan en de eigenaar van het pand waar de economische activiteit wordt gehouden.
Artikel 4 - Berekeningsgrondslag en tarieven voor nachtwinkels en private bureaus voor telecommunicatie
§1. De openingsbelasting is vastgesteld op € 7.200 en verschuldigd bij elke opening of wijziging van uitbating van een nachtwinkel of privaat bureau voor telecommunicatie.
§2. De aanslagvoet van de jaarlijkse belasting is vastgesteld op € 1.800 per nachtwinkel en per privaat bureau voor telecommunicatie.
§3. De openingsbelasting en de jaarlijkse belasting zijn ondeelbaar. Zij zijn verschuldigd voor het hele jaar, welke ook de aanvangs- of stopzettingsdatum van de economische activiteit is of de wijziging van uitbating in het jaar.
§4. De jaarlijkse belasting gaat in volgend op het jaar van inkohiering van de openingsbelasting, of bij gebreke hiervan, vanaf de inwerkingtreding van het huidige belastingreglement.
§5. Er wordt geen korting of teruggave van de belasting gedaan om welke reden dan ook.
§6. In geval van een tijdelijke of een definitieve administratieve sluiting van de zaak omwille van een sanctie, opgelegd door daartoe bevoegde overheden, kunnen de belastingplichtigen op geen enkele schadeloosstelling aanspraak maken.
§7. Elke wijziging of stopzetting van economische activiteit dient onder de verantwoordelijkheid van de belastingplichtigen onmiddellijk en per aangetekend schrijven te worden meegedeeld aan de gemeente.
Artikel 5 - Berekeningsgrondslag en tarieven voor wedkantoren
Voor wedkantoren bedraagt de belasting € 74,40 per maand bedrijvigheid of per gedeelte daarvan.
Artikel 6 - Aangifteplicht
De belastingplichtigen, vermeld in artikel 3, zijn ertoe gehouden uiterlijk op 30 juni van het aanslagjaar aangifte te doen van de nachtwinkel of privaat bureau voor telecommunicatie gevestigd op het grondgebied van de gemeente.
De belastingplichtigen, vermeld in artikel 3, zijn ertoe gehouden uiterlijk op 30 juni voor de eerste zes maanden van het aanslagjaar en uiterlijk op 30 december voor de laatste zes maanden van het aanslagjaar aangifte te doen van het aantal maanden bedrijvigheid van het wedkantoor gevestigd op het grondgebied van de gemeente.
Als aangiftedatum geldt de datum van verzending of - bij afgifte - de datum vermeld op het ontvangstbewijs. Valt de uiterste aangiftedatum op een zaterdag of een zondag, dan wordt de vervaldag naar de eerstvolgende werkdag verplaatst.
De aangifte moet alle gegevens bevatten die noodzakelijk zijn voor de berekening en de controle van de aanslag. Het aangifteformulier is ter beschikking gesteld op de gemeentelijke website en kan worden opgevraagd bij de gemeente.
Artikel 7 - Controlemiddelen
De aangestelde personeelsleden zijn gemachtigd om alle inbreuken op deze verordening vast te stellen. De door hun opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.
Artikel 8 - Ambtshalve belasting
Bij gebrek aan tijdige aangifte binnen de in artikel 6 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte kan de belastingplichtige ambtshalve worden belast volgens de gegevens waarover de gemeente beschikt, onverminderd het recht op bezwaar en beroep. Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen te rekenen van de derde werkdag die volgt op de datum van verzending van die kennisgeving om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
Artikel 9 - Belastingverhoging
De ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan de verschuldigde belasting.
Het bedrag van deze verhoging wordt ook ingekohierd.
Artikel 10 - Wijze van invordering
De belasting wordt ingevorderd bij wijze van kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 11 - Betalingstermijn
De belasting is betaalbaar binnen de twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 12 - Administratieve geldboete
Voor het niet naleven van de bepalingen van dit belastingreglement of van het decreet van 30 mei 2008 kan een administratieve geldboete gelijk aan € 500 worden opgelegd. Deze geldboete kan niet worden opgelegd voor een schending van de aangifteverplichting bepaald onder artikel 6. Het bedrag van de administratieve boete wordt ingekohierd.
Artikel 13 - Verwijzingsregel
De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Artikel 14 - Opheffing
Het gemeentelijk belastingreglement op nachtwinkels, private bureaus voor telecommunicatie en wedkantoren voor de dienstjaren 2020-2025, goedgekeurd door de gemeenteraad van 16 december 2019 wordt opgeheven en vervangen door onderhavig reglement.
Artikel 15 - Inwerkingtreding en bekendmaking
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De Grondwet, artikel 170 §4.
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, zoals laatst gewijzigd.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
De omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit.
Op 31 december 2025 verstrijkt de heffingsduur van de belasting op reclame- en uithangborden, vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2019 en waarvan de wijzigingen zijn goedgekeurd op 19 mei 2025.
Gezien de financiële toestand van de gemeente is het billijk deze belasting te heffen.
Dat een overvloed aan reclame- en uithangborden visuele vervuiling veroorzaakt en deze belasting tevens tot doel heeft het aantal reclameborden in het straatbeeld te beperken.
Dat het tarief pas ontradend en effectief kan zijn als het hoog genoeg is, maar het daarnaast niet zo hoog mag zijn dat de vrijheid van handel in het gedrang wordt gebracht.
Dat rekening houdend met de vrijheid van handel er geen belasting wordt geheven op de borden kleiner dan 4m² die enkel gebruikt worden voor de aankondiging van de eigen firmanaam op de plaats waar de bedrijfsuitbating is gevestigd.
Dat tevens geen belasting wordt geheven ten aanzien van borden zonder louter handelskarakter, die tevens een bepaalde taak van algemeen belang of openbaar nut vervullen, meer bepaald:
Borden, geplaatst door openbare besturen, openbare instellingen of instellingen van openbaar nut, voor zover geen winstgevend doel wordt nagestreefd;
Borden die alleen gebruikt worden voor de notariële aankondigingen;
Borden die alleen gebruikt worden ter gelegenheid van de wettelijk voorziene verkiezingen;
Borden geplaatst door politieke, culturele, sociale of godsdienstige organisaties wanneer het gaat om aankondigingen van hun eigen activiteiten op politiek, cultureel, sociaal of godsdienstig vlak, op voorwaarde dat die borden niet langer dan één maand voor de aankondiging van hun activiteit worden aangewend.
Dat de borden geplaatst op sportterreinen en gericht naar de plaats van sportbeoefening die bedoeld zijn voor de bezoekers en gebruikers van het sportterrein eerder dan de gebruikers van de openbare weg tevens vrijgesteld worden van de belasting nu deze niet vergelijkbaar zijn met de borden die gericht zijn ten aanzien van de gebruikers van de openbare weg. Degene die met het betreffende bord reclame maakt, mikt op het publiek dat naar de sportactiviteiten op die sportterreinen komt, waarbij de zichtbaarheid vanop de openbare weg eerder toevallig is.
FINANCËN
Budgetcode 7342200: “Reclameborden”.
Artikel 1 - Heffingstermijn – belastbaar voorwerp
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een jaarlijkse gemeentebelasting te vestigen op reclame- en uithangborden, al dan niet gepersonaliseerd, in de vorm van teksten, merknamen, tekeningen, emblemen, pictogrammen of logo's en zonder dat deze opsomming beperkend is en die tot doel hebben de naam van de eigenaar of exploitant of de aard van de activiteit of de merknaam van de producten te vermelden of te symboliseren, en die ten minste één vierkante meter oppervlakte hebben.
Artikel 2 - Definities
Onder reclame- en uithangborden wordt verstaan elke constructie in onverschillig welk materiaal, geplaatst langs de openbare weg of op een plaats in openlucht die zichtbaar is vanaf de openbare weg, waarop reclame wordt aangebracht door aanplakking, vasthechting, schildering of door elk ander middel.
Worden gelijkgesteld met genoemde borden: de muren of gedeelten van muren en de omheiningen die gehuurd of gebruikt worden om reclame erop aan te brengen.
Artikel 3 - Belastingplichtige
De belasting is verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die de beschikking (vrij gebruik) heeft over het reclamebord. Is deze niet gekend, dan is dit de eigenaar van de grond waarop het bord geplaatst is of de eigenaar van de muur of de afsluiting waarop de reclame is aangebracht.
Artikel 4 - Berekeningsgrondslag en tarieven
§1. De belasting wordt vastgelegd op € 36,00 per vierkante meter per jaar.
§2. De belasting wordt vastgelegd per bord en de gedeelten van elke vierkante meter, groter dan 50 dm², worden als een eenheid behandeld.
§3. Voor een bord wordt als belastbare oppervlakte de publicitair nuttige oppervlakte in aanmerking genomen, zijnde de volledige binnenoppervlakte van het bord, zonder de lijst. Voor de borden die meer dan één zijde hebben, wordt de belasting berekend op de totale oppervlakte van de zichtbare zijden. Voor muren en afsluitingen beperkt de belastbare oppervlakte zich tot het beschilderde of beplakte deel ervan, of door de oppervlakte, die bekomen wordt door een rechthoek, waarbij de uiterste punten van een op een andere wijze vastgehechte reclame de raakpunten vormen. Hierbij dient de bedekte totale oppervlakte beschouwd te worden als één bord, ook indien verschillende reclames erop voorkomen.
§4. De belastbare oppervlakte van twee of meer gelijkwaardige belastbare voorwerpen, die naast elkaar geplaatst zijn of derwijze bijeengebracht dat zij één geheel vormen, worden als één geheel beschouwd.
§5. De belasting is ondeelbaar en voor het hele belastingjaar verschuldigd, ongeacht de datum van plaatsing, ingebruikname of verwijdering van de reclame.
Artikel 5 - Vrijstellingen
Zijn van de belasting vrijgesteld:
• de borden die kleiner zijn dan 4m² en die enkel gebruikt worden voor de aankondiging van de eigen firmanaam op de plaats waar de bedrijfsuitbating gevestigd is. Indien meerdere soortgelijke borden op het terrein opgesteld staan, worden voor de toepassing van dit artikel de oppervlakten van al deze borden samengeteld;
• de borden, geplaatst door openbare besturen, openbare instellingen of instellingen van openbaar nut, voor zover geen winstgevend doel wordt nagestreefd;
• de borden die alleen gebruikt worden voor de notariële aankondigingen;
• de borden die alleen gebruikt worden ter gelegenheid van de wettelijk voorziene verkiezingen;
• de borden, alhoewel zichtbaar vanaf de openbare weg, geplaatst op sportterreinen en gericht naar de plaats van sportbeoefening;
• de borden geplaatst door politieke, culturele, sociale of godsdienstige organisaties, wanneer het gaat om aankondigingen van hun eigen activiteiten op politiek, cultureel, sociaal of godsdienstig vlak, op voorwaarde dat die borden niet langer dan één maand voor de aankondiging van hun activiteit aangewend worden.
Artikel 6 - Aangifteplicht
§1. De belastingplichtige, vermeld in artikel 3, is ertoe gehouden uiterlijk op 30 juni van het aanslagjaar aangifte te doen bij de gemeente.
§2. De borden geplaatst in de loop van het aanslagjaar, en niet begrepen in de aanvankelijke aangifte, dienen aangegeven te worden binnen de veertien dagen na de plaatsing en uiterlijk op 15 januari van het jaar volgend op het aanslagjaar. Zij worden eveneens voor een volledig dienstjaar belast.
§3. Als aangiftedatum geldt de datum van verzending of - bij afgifte - de datum vermeld op het ontvangstbewijs. Valt de uiterste aangiftedatum vermeld in §1-2 op een zaterdag of een zondag, dan wordt de vervaldag naar de eerstvolgende werkdag verplaatst.
§4. De aangifte moet alle gegevens bevatten, die noodzakelijk zijn voor de berekening en de controle van de aanslag. Het aangifteformulier is ter beschikking gesteld op de gemeentelijke website en kan worden opgevraagd bij de gemeente.
§5. Bij verwijdering dient het gemeentebestuur hiervan binnen de veertien dagen per aangetekend schrijven te worden in kennis gesteld.
Artikel 7 - Controlemiddelen
De aangestelde personeelsleden zijn gemachtigd om alle inbreuken op deze verordening vast te stellen. De door hun opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.
Artikel 8 - Ambtshalve belasting
Bij gebrek aan tijdige aangifte binnen de in artikel 6 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte kan de belastingplichtige ambtshalve worden belast volgens de gegevens waarover de gemeente beschikt, onverminderd het recht op bezwaar en beroep. Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen te rekenen van de derde werkdag die volgt op de datum van verzending van die kennisgeving om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
Artikel 9 - Belastingverhoging
De overeenkomstig artikel 8 ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan de verschuldigde belasting. De belastingverhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.
Artikel 10 - Wijze van invordering
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 11 - Betalingstermijn
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 12 - Bezwaarprocedure
De belastingschuldige kan tegen deze belasting een bezwaar indienen bij het college van burgemeester en schepenen. Het bezwaar moet schriftelijk worden ingediend, gemotiveerd en ondertekend zijn. De indiening van het bezwaarschrift moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet.
Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstmelding verstuurd, binnen vijftien kalenderdagen na de indiening ervan.
Artikel 13 - Verwijzingsregel
De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Artikel 14 - Opheffing
Het gemeentelijk belastingreglement op reclame- en uithangborden voor de dienstjaren 2020-2025, goedgekeurd in de gemeenteraad van 16 december 2019, wijzigingen goedgekeurd door de gemeenteraad van 19 mei 2025, wordt opgeheven en vervangen door onderhavig reglement.
Artikel 15 - Inwerkingtreding en bekendmaking
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Artikel 170§4 van de Grondwet.
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentenbelastingen, en latere wijzigingen.
Op 31 december 2025 verstrijkt de heffingsduur van de belasting (raadsbesluit van 23 november 2020) op het vervoer van personen met een politievoertuig (Combitaks).
Administratief aangehouden, (vermoedelijk) dronken en gedrogeerde personen worden regelmatig met een politievoertuig vervoerd, wat de werklast van het politiepersoneel verzwaart. Hierdoor kunnen andere taken in het gedrang komen, zoals de aanwezigheid op straat, terwijl die zichtbare aanwezigheid nochtans zeer belangrijk is om de veiligheid van de burger te verhogen.
Deze belasting is niet verschuldigd bij het vervoer van gerechtelijk aangehouden personen bedoeld in artikel 78,4e van het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, aangezien de kosten van overbrenging ten laste van de staat komen en dit zonder verhaal op de veroordeelde partijen.
De belasting op het vervoer van personen met een politievoertuig neemt de financiële toestand van de gemeente in overweging en heeft als doel om een deel van de gemaakte kosten voor politie-interventies te vergoeden, vermits deze eerder het particuliere dan het algemene belang dienen. Bijgevolg is het wenselijk om een belasting op het vervoer van personen met een politievoertuig te heffen, zodat op die manier wordt bijgedragen in de gemeentelijke uitgaven.
FINANCIËN
Budgetcode GBB-FIN/0020-00/7312000 "Vervoer van personen die overlast veroorzaken"
Artikel 1
Vanaf 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031 een belasting te vestigen op het vervoer van personen met een politievoertuig op grond van artikel 1 § 2 van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap, of in het kader van een bestuurlijke aanhouding op grond van artikel 31 van de wet van 5 augustus 1992 op het Politieambt.
Artikel 2
Als rit dient verstaan te worden het traject dat wordt afgelegd vanaf het uitrukken van het politievoertuig tot op het ogenblik dat de betrokkene op zijn eindbestemming, door de politie bepaald, is gebracht (politiecommissariaat, thuis, …).
Artikel 3
§1. De belasting wordt vastgesteld op een forfaitair bedrag van 160 euro per rit en per vervoerd persoon.
§2. De belasting wordt gevestigd door de gemeente op wiens grondgebied de vervoerde persoon het politievoertuig voor het eerst betreedt.
Artikel 4
De belasting valt ten laste van de vervoerde persoon of in voorkomend geval van de voor hem of haar burgerlijk verantwoordelijke persoon. Zij is verschuldigd vanaf het ogenblik dat de vervoerde persoon zijn eindbestemming bereikt heeft. Vrijgesteld van deze belasting is het vervoer van personen met een politievoertuig in het kader van een gerechtelijke aanhouding in de zin van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
Artikel 5
De belasting zal geschieden bij wijze van een kohier overeenkomstig de bepalingen en voorschriften van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen. De belasting moet worden betaald binnen de twee maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet. De belastingschuldige kan een bezwaar indienen conform de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008. Het bezwaarschrift moet gemotiveerd en met redenen omkleed zijn en schriftelijk worden ingediend bij het college van burgemeester en schepenen. Het bezwaarschrift moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of van de kennisgeving van de aanslag.
Artikel 6
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De grondwet, artikel 170 §4.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017.
De omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit.
Op 31 december 2025 verstrijkt de heffingsduur van de belasting op ontgravingen vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2019.
De arbeidsintensiteit en de hygiënische omstandigheden worden als motivatie aanvaard voor een gedifferentieerd tarief.
De arbeidsintensiteit en administratie bij de opgraving van een urne uit een columbarium is veel beperkter.
Gezien de financiële toestand van de gemeente is het billijk deze belasting te heffen.
FINANCIËN
Budgetcode: GBBFIN/0020-00/7331400 "Ontgraving"
Artikel 1. Heffingstermijn - belastbaar voorwerp
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een contant belasting gevestigd op de ontgraving van stoffelijke overschotten op de gemeentelijke begraafplaats.
Artikel 2. Belastingplichtige
De belasting is verschuldigd door de persoon die de machtiging tot ontgraven aanvraagt.
Artikel 3. Berekeningsgrondslag en tarieven
De belasting is vastgesteld op:
900 euro per ontgraving uit een gewoon graf;
240 euro per ontgraving van een urne uit een columbarium;-
240 euro per ontgraving van een urne uit een urnenveld.
Artikel 4. Vrijstellingen
De belasting is niet verschuldigd voor de opgravingen:
opgelegd door de rechterlijke overheden
van de voor het vaderland gestorven militairen en burgers
noodzakelijk voor het overbrengen van de oude naar de nieuwe begraafplaats
van het columbarium of urnenveld na het beëindigen van de termijn, die niet verlengd wordt.
Artikel 5. Wijze van invordering
§1. Deze gemeentebelasting wordt contant ingevorderd.
De belastingschuldige is gehouden minstens vierentwintig uren voordat het belastbaar feit zich zal voltrekken, aangifte te doen op het gemeentelijk ontvangkantoor en het verschuldigde bedrag aan de gemeenteontvanger of zijn afgevaardigde te betalen tegen afgifte van een betalingsbewijs, dat op elk verzoek van de met toezicht belaste ambtenaren of agenten moet worden getoond.
§2. Bij gebrek aan contante betaling zal worden overgegaan tot inkohiering.
Artikel 6. Verwijzingsregel
De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Artikel 7. Inwerkingtreding en bekendmaking
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De grondwet, artikel 170 §4.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
Het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
Het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017.
De omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit.
De gemeente Aartselaar is bevoegd voor het vaststellen van de machtiging tot het heffen van retributies voor diensten en prestaties.
Het retributiereglement eindigt op 31/12/2025.
Omdat de afgifte van allerlei administratieve stukken en het leveren van administratieve prestaties lasten voor de gemeente meebrengt, is het billijk dat de aanvragers hiervoor een retributie betalen. Het behandelen van attesten, meldingen en aanvragen in het kader van het Omgevingsvergunningsdecreet vergt een aanzienlijke inzet van de gemeentelijke middelen.
Het is billijk deze inzet ten dele door te rekenen aan degene op wiens initiatief en in wiens voordeel de meldings- en vergunningsprocedures worden doorlopen.
Het digitaal indienen moet bevorderd worden t.o.v. analoge indiening op papier, aangezien dit één van de pijlers is van de omgevingsvergunning. Analoog ingediende dossiers betekenen immers een grotere werklast, aangezien de administratie deze zelf moet omzetten in digitale dossiers.
Om die reden is het billijk om een toeslag te voorzien wanneer de administratie instaat voor de omzetting van papieren naar digitale aanvraag.
Daarnaast is het logisch om voor grote projecten (zoals verkavelingen en meergezinswoningen) een hoger bedrag door te rekenen dan bij een reguliere eengezinswoning.
Het is aangewezen om voor bepaalde handelingen én aanvragers van beschutte werkplaatsen, van overheden en daaraan ondergeschikte besturen, aangezien dit gaat om aanvragen van algemeen belang, een vrijstelling te verlenen.
De retributies op handelingen in het kader van de omgevingsvergunning nemen de financiële toestand van de gemeente in overweging en heeft als doel een deel van de kosten te recupereren, die de gemeentelijke administratie moet maken om de vergunningen en attesten te verlenen. Bijgevolg is het wenselijk om retributies te vestigen op handelingen in het kader van de omgevingsvergunning, zodat op die manier wordt bijgedragen aan de gemeentelijke uitgaven.
Artikel 1
Heffingstermijn - belastbaar voorwerp
Voor de jaren 2026 tot en met 2031 worden gemeentelijke retributies gevestigd voor het afleveren van administratieve stukken en het leveren van administratieve prestaties door de gemeente.
Artikel 2
Retributieplichtige
De retributie is verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die het administratief stuk of prestatie vraagt of aan wie het gevraagde stuk wordt uitgereikt.
Artikel 3
Berekeningsgrondslag en tarieven
De retributies worden als volgt vastgesteld:
Persoonsgebonden dienstverlening - Burgerzaken
|
|
Tarief (euro) |
| Op afgifte van elektronische identiteitskaarten aan Belgen |
|
| - nieuwe kaart, vernieuwing of vervanging |
aanmaakkosten FOD + 2,50 EUR |
| - voor dringende aanvragen (drie werkdagen) |
aanmaakkosten FOD + 2,50 EUR |
|
|
|
| Op afgifte van elektronische identiteitskaarten aan niet-Belgen |
|
| - nieuwe kaart, vernieuwing of vervanging |
aanmaakkosten FOD + 2,50 EUR |
| - voor dringende aanvragen (drie werkdagen) |
aanmaakkosten FOD + 2,50 EUR |
|
|
|
| Op afgifte van een kids-ID aan Belgische kinderen (- 12 jaar) |
|
| - nieuwe kaart, vernieuwing of vervanging |
aanmaakkosten FOD + 0,00 EUR |
| - voor dringende aanvragen (drie werkdagen) |
aanmaakkosten FOD + 0,00 EUR |
|
|
|
| Op afgifte van een identiteitsbewijs aan niet-Belgische kinderen (- 12 jaar) |
|
| - nieuwe kaart, vernieuwing of vervanging |
6,00 EUR |
|
|
|
|
|
|
| Op afgifte van paspoorten |
|
| - gewone procedure < 18 jaar |
aanmaakkosten FOD + 5,00 EUR |
| - gewone procedure > of = 18 jaar |
aanmaakkosten FOD + 6,00 EUR |
| - spoedprocedure < 18 jaar |
aanmaakkosten FOD + 5,00 EUR |
| - spoedprocedure > of = 18 jaar |
aanmaakkosten FOD + 6,00 EUR |
|
|
|
| Op afgifte van reistitels (voor vluchtelingen, staatlozen en vreemdelingen) |
|
| - gewone procedure < 18 jaar |
aanmaakkosten FOD + 0,00 EUR |
| - gewone procedure > of = 18 jaar |
aanmaakkosten FOD + 6,00 EUR |
| - spoedprocedure < 18 jaar |
aanmaakkosten FOD + 0,00 EUR |
| - spoedprocedure > of = 18 jaar |
aanmaakkosten FOD + 6,00 EUR |
|
|
|
| Op afgifte van attesten van immatriculatie |
|
| - nieuwe kaart, vernieuwing of vervanging |
6,00 EUR |
|
|
|
| Op afgifte van rijbewijzen |
|
| - nieuw of voorlopig rijbewijs |
aanmaakkosten FOD+ 6,00 EUR |
| - internationale rijbewijzen |
aanmaakkosten FOD + 6,00 EUR |
|
|
|
| Op afgifte van trouwboekjes |
|
| - trouwboekje |
36,00 EUR |
| - registratie van wettelijk samenwonenden |
12,00 EUR |
| - beëindiging van wettelijk samenwonen |
12,00 EUR |
|
|
|
| Op voltrekking van huwelijken |
|
| - tijdens kantooruren op weekdag |
30,00 EUR |
| - op zaterdagvoormiddag |
60,00 EUR |
|
|
|
| Op afgifte van een verklaring van eenzijdige beëindiging van wettelijke samenwoning |
|
| - bij betekening door een gerechtsdeurwaarder in het arrondissement Antwerpen en voor kennisgeving met aangetekende brief aan de ambtenaar van de burgerlijke stand waar de andere partner woont |
216,00 EUR |
|
|
|
| - bij betekening door een gerechtsdeurwaarder buiten het arrondissement Antwerpen en voor kennisgeving met aangetekende brief aan de ambtenaar van de burgerlijke stand waar de andere partner woont |
264,00 EUR |
|
|
|
| Op afleveren van vergunning tot wijziging voornaam |
|
| - gewone voornaamswijziging |
60,00 EUR |
| - voornaamswijziging transgender |
6,00 EUR |
| - voornaamswijziging vreemdelingen zonder officiële voornaam die de Belgische nationaliteit aanvragen/hebben |
0,00 EUR |
Wanneer na het versturen van een herinneringsbrief inzake het afhalen van het nieuwe verblijfsbewijs niet binnen de dertig dagen wordt gereageerd: 5,00 EUR extra.
Persoonsgebonden dienstverlening - Omgeving
|
|
Tarief (euro) |
| Het opzoeken en digitaliseren van een plan van stedenbouwkundige en/of milieutechnische aard dat betrekking heeft op (vergunnings-)historiek van een perceel. |
50,00 EUR |
|
|
|
| Andere schriftelijke inlichtingen binnen het domein omgeving die niet in dit reglement zijn vermeld en niet uitsluitend betrekking hebben op inzage of het toelichten van bestuursdocumenten |
25,00 EUR/begonnen half uur |
|
|
|
| Voor het afleveren van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen zonder verplichte medewerking van een architect |
|
|
|
|
| - Oprichten, verbouwen, herbouwen en slopen van constructies en/of 1 of meerdere gebouwen of delen daarvan. (Het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie van 1 of meerdere gebouwen of delen daarvan en/of wijzigen van het aantal woongelegenheden wordt in het kader van dit belastingreglement beschouwd als een verbouwing, ongeacht of hier al dan niet effectieve verbouwingswerken mee gepaard gaan) + alle overige aanvragen waarvoor de eenvoudige dossiersamenstelling volstond voor de invoering van de omgevingsvergunning (o.a. gevelwijzigingen, plaatsen van tuinafsluitingen, …) |
60,00 EUR
|
|
|
|
| Voor het afleveren van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen met verplichte medewerking van een architect |
|
| - Oprichten, verbouwen, herbouwen en slopen van 1 of meerdere gebouwen of delen daarvan met ‘wonen’ als overwegende aanwezige hoofdfunctie en een bebouwde oppervlakte kleiner of gelijk aan 500m². (Het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie van 1 of meerdere gebouwen of delen daarvan en/of wijzigen van het aantal woongelegenheden wordt in het kader van dit belastingsreglement beschouwd als een verbouwing, ongeacht of hier al dan niet effectieve verbouwingswerken mee gepaard gaan) |
150,00 EUR
|
| - Oprichten, verbouwen, herbouwen en slopen van 1 of meerdere gebouwen of delen daarvan met ‘wonen’ als overwegende aanwezige hoofdfunctie en een bebouwde oppervlakte groter dan 500m². (Het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie van 1 of meerdere gebouwen of delen daarvan en/of wijzigen van het aantal woongelegenheden wordt in het kader van dit belastingsreglement beschouwd als een verbouwing, ongeacht of hier al dan niet effectieve verbouwingswerken mee gepaard gaan) |
150,00 EUR (+ 60,00 EUR/bijkomende wooneenheid |
|
|
|
| - Oprichten, verbouwen, herbouwen en slopen van 1 of meerdere gebouwen of delen daarvan, met een andere functie dan ‘wonen’ als overwegend aanwezige hoofdfunctie en een bebouwde oppervlakte kleiner of gelijk aan 500m². (Het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie van 1 of meerdere gebouwen of delen daarvan en/of wijzigen van het aantal woongelegenheden wordt in het kader van dit belastingsreglement beschouwd als een verbouwing, ongeacht of hier al dan niet effectieve verbouwingswerken mee gepaard gaan) |
300,00 EUR |
| - Oprichten, verbouwen, herbouwen en slopen van een gebouw of een gebouwencomplex of 1 of meerdere delen daarvan, met een andere functie dan ‘wonen’ als overwegende aanwezige hoofdfunctie en een bebouwde oppervlakte groter dan 500m². (Het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie van 1 of meerdere gebouwen of delen daarvan en/of wijzigen van het aantal woongelegenheden wordt in het kader van dit belastingsreglement beschouwd als een verbouwing, ongeacht of hier al dan niet effectieve verbouwingswerken mee gepaard gaan) |
600,00 EUR |
|
|
|
| Voor het afleveren van toelatingen voor technische of terreinaanlegwerken |
|
| - Vellen van hoogstammige bomen, verhardingen, reliëf van de bodem aanzienlijk wijzigen,… met een grondoppervlakte < 100 m² |
60,00 EUR |
| - Vellen van hoogstammige bomen, verhardingen, reliëf van de bodem aanzienlijk wijzigen,… met een grondoppervlakte > 100 m² |
300,00 EUR |
|
|
|
| Voor het afleveren van een omgevingsvergunning |
|
| - voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit - klasse 2 |
600,00 EUR |
| - met kleinhandelsactiviteiten (bijkomende dossierkosten) |
120,00 EUR |
| - met vegetatiewijziging(en) (bijkomende dossierkosten) |
120,00 EUR |
| - Voor het afleveren van een toelating tot bijstelling of afwijking van de milieuvoorwaarden en/of stedenbouwkundige voorwaarden |
150,00 EUR/afwijking of bijstelling |
| - Voor de kennisname van een mededeling met de vraag tot omzetting van een milieuvergunning naar een omgevingsvergunning van onbepaalde duur |
500,00 EUR |
|
|
|
| Voor een kennisname van een melding van stedenbouwkundige handelingen en/of de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteiten |
|
| - Melding van stedenbouwkundige werken en handelingen met betrekking tot woongebouw (inclusief zorgwonen) |
100,00 EUR |
| - Melding van stedenbouwkundige werken en handelingen met betrekking tot andere gebouwen en constructies |
150,00 EUR |
| - Melding van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteiten klasse 3 |
150,00 EUR |
| - Melding van de overdracht van een vergunning voor een ingedeelde inrichting of activiteit |
150,00 EUR |
|
|
|
| Voor het aanleveren van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden |
|
| - zonder wegenisaanleg |
150,00 EUR/lot |
| - met wegenisaanleg |
1500,00 EUR + 130,00 EUR/lot |
| - voor het afleveren van een toelating tot bijstelling van de verkaveling |
250,00 EUR/lot |
|
|
|
| Voor een bijkomende procedurestap |
|
| - Toeslag voor het houden van een projectvergadering |
150,00 EUR |
| - Toeslag voor het houden van een informatievergadering |
500,00 EUR |
| - Toeslag voor de individuele kennisgeving in het kader van een openbaar onderzoek |
15,00 EUR/beveiligde zending |
| - Toeslag voor de extra kost bij indiening van een aanvraag met MER (MilieuEffectenRapportage), OVR (OmgevingsVeiligheidsRapportage) of MOBER (MOBiliteitsEffectenRapportage) |
300,00 EUR |
| - Toeslag voor de extra kost bij niet ambtshalve wijziging van de aanvraag met nieuw openbaar onderzoek |
150,00 EUR |
|
|
|
| Vastgoedinformatie |
|
| - Afleveren van een modelformulier vastgoedinformatie conform artikel 5.2.1 tot en met 5.2.6 van de Vlaamse Codex ruimtelijke ordening |
150,00 EUR |
| - Spoedregistratie in functie van het afleveren van modelformulieren van vastgoedinformatie conform artikel 5.2.1 tot en met 5.2.6 van de Vlaamse Codex ruimtelijke ordening met inbegrip van de aflevering van modelformulier conform artikel 5.2.1 tot en met 5.2.6 van de Vlaamse Codex ruimtelijke ordening |
500,00 EUR |
| As-builtattest |
|
| aflevering van een as-builtattest |
350,00 EUR |
| Vergunningenregister |
|
| - Opname in het vergunningenregister |
150,00 EUR |
| - Afleveren van uittreksel uit vergunningenregister |
25,00 EUR |
| Plannenregister |
|
| - Afleveren van uittreksel uit plannenregister |
25,00 EUR |
| Stedenbouwkundig attest |
|
| - Afleveren van een stedenbouwkundig attest |
100,00 EUR |
| Planologisch attest |
|
| - Afleveren van een planologisch attest |
250,00 EUR |
|
|
|
Indien de aanvraag meerdere types van aanvragen om omgevingsvergunning omvat dan is de retributie voor die aanvraag gelijk aan de som van de afzonderlijke retributies.
Gemeentelijke ingave van dossiers in het omgevingsloket: verdubbeling van de retributie.
Administratieve prestaties
| Voor het maken van fotokopieën |
Tarief (euro) |
| - A4-formaat zwart/wit |
0,12 EUR |
| - A4-formaat kleur |
0,60 EUR |
| - A3-formaat zwart/wit |
0,25 EUR |
| - A3-formaat kleur |
1,20 EUR |
Natuurlijke en rechtspersonen die wensen dat de gevraagde administratieve bescheiden hen per post zouden toegezonden worden, dienen het bedrag van de verzendingskosten vooraf aan de betrokken dienst over te maken.
Artikel 4
Vrijstellingen
§1. Van de retributies voor burgerzaken worden vrijgesteld:
- de stukken die kosteloos moeten afgeleverd worden krachtens een wet, een koninklijk besluit of een andere overheidsverordening kosteloos door de gemeente;
- de afgifte van stukken welke krachtens een wet, een koninklijk besluit of een overheidsverordening reeds aan de betaling van een belasting of retributie ten behoeve van de gemeente onderworpen is. Uitzondering wordt gemaakt voor de rechten welke de met het afgeven van reispassen belaste gemeenten ambtshalve toekomen volgens tarieven gevoegd bij de wet op de consulaire- en kanselarijrechten;
- de stukken welke aan behoeftige personen worden afgeleverd; de behoeftigheid wordt vastgesteld door elk overtuigend bewijsstuk;
- de adresaanvragen en aanvragen om inlichtingen, uitgaande van gerechtsdeurwaarders, gerechtelijke overheden, openbare besturen en daarmee gelijkgestelde instellingen van openbaar nut, indien er voor die vragen een wettelijke rechtsgrond bestaat;
- de machtigingen betreffende godsdienstige of politieke manifestaties.
Vrijstelling van deze retributie wordt eveneens verleend met betrekking tot de bescheiden, die sommige personen nodig hebben bij het solliciteren of in het kader van tewerkstelling in de ruimste zin van het woord, vrijwilligerswerk inbegrepen.
De vrijstelling geldt enkel ten voordele van al dan niet uitkeringsgerechtigde werklozen, pas afgestudeerden, laatstejaarsstudenten, leerlingen van het laatste jaar secundair onderwijs en werkzoekende personen van wie het enig inkomen het leefloon is.
De belanghebbende personen zelf dienen het bewijs te leveren dat zij voor de vrijstelling in aanmerking komen en dat de bescheiden, waarvoor zij de vrijstelling vragen, bij het solliciteren nodig zijn.
§2. Van de retributies voor omgeving worden vrijgesteld:
- aanvragen van beschutte werkplaatsen;
- aanvragen van overheden en daaraan ondergeschikte besturen.
Artikel 5
Wijze van invordering
§1. Deze gemeentelijke retributies moeten contant betaald worden bij aanvraag of uiterlijk bij het afleveren van de stukken of het afleveren van de administratieve prestaties.
§2. Bij gebrek aan betaling in der minne, zal de retributie burgerrechtelijk ingevorderd worden voor wat betreft het betwiste gedeelte. De invordering van het niet-betwiste gedeelte zal door middel van een dwangbevel, voorzien in artikel 177 van het decreet over het lokaal bestuur, geschieden.
Artikel 6
Delegatie
Voortaan wordt de vaststelling van de retributiebedragen en van de wijze van inning gedelegeerd naar het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 7
Inwerkingtreding en bekendmaking
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De grondwet, artikel 170 §4.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
De omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit.
De financieel directeur kan volgens artikel 177 van het decreet lokaal bestuur een dwangbevel uitvaardigen bij deurwaardersexploot voor onbetwiste en niet-fiscale ontvangsten.
Hiertoe dient te worden afgebakend wat juist wordt begrepen onder een onbetwiste ontvangst en welke administratie- en aanmaningskosten zullen worden doorgerekend ingeval van niet-betaling.
Aan debiteuren van niet-fiscale ontvangsten dient een redelijke betalingstermijn te worden verleend.
Het versturen van een eerste kosteloze aanmaning voor openstaande niet-fiscale ontvangsten kan na een termijn van 30 kalenderdagen volgend op de factuurdatum als redelijk worden beschouwd.
Bij het verzenden van de eerste aanmaning gaat een nieuwe, bijkomende betaaltermijn van 14 kalenderdagen in.
Na deze tweede betalingstermijn (zijnde inmiddels 30 + 14 kalenderdagen na de factuurdatum) wordt een tweede aanmaning verstuurd met een nieuwe, bijkomende termijn van 14 kalenderdagen.
Hierna (dus 2 maanden na factuurdatum) wordt een aangetekende aanmaning verzonden, vermeerderd met een forfaitaire administratieve kost ten bedrage van € 24,00 waarbij aan de debiteur een laatste termijn van 7 kalenderdagen wordt gegeven om de openstaande schuld te vereffenen.
Gelet op de beginselen van behoorlijk bestuur dient aan debiteuren van niet-fiscale ontvangsten bij het verzenden van de laatste aangetekende aanmaning te worden vermeld dat in de volgende fase een dwangbevel zal worden overgemaakt bij deurwaardersexploot ingeval het openstaande bedrag niet wordt vereffend binnen voormelde termijn of niet redelijk en gegrond wordt betwist.
Het opmaken van een dwangbevel brengt eveneens kosten met zich mee zodat een forfaitair bedrag ten bedrag van € 18,00 kan worden doorgerekend.
De opmaak en verzending van een dwangbevel kan enkel worden overwogen indien een duidelijke rechtsgrond bestaat voor de vordering (factuur, contract, bewijs van een geleverde prestatie tegen een vooraf vastgesteld tarief, …), indien de schuld vervallen is en indien de schuldvordering bovendien niet voor redelijke betwisting vatbaar is.
Artikel 1
Voor de periode die een aanvang neemt op 01.01.2026 en eindigt op 31.12.2031, een retributie te heffen ter recuperatie van de kosten voor het verzenden van aanmaningen en dwangbevelen aan diegenen die de door hen verschuldigde sommen zoals facturen, retributies en huurgelden niet betalen voor de vervaldatum.
Artikel 2
De retributie vast te stellen op:
Artikel 3
Voortaan het vaststellen van de retributiebedragen en de bepaling van de wijze van inning te delegeren aan het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 4
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De bekendmaking van dit reglement aan de toezichthoudende overheid ter kennis te brengen overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Artikel 173, van de Grondwet.
Artikel 40, §3, van het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Artikel 21, eerste lid, van het Decreet van 22 december 2023 over het Vastgoedinformatieplatform.
Artikelen 5.2.1, 5.2.5, 5.2.6 en 5.2.7 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.
Gemeenteraadsbeslissing van 26 juni 2023 betreffende ingebruikname Vastgoedinformatieplatform en vernieuwing retributiereglement vastgoedinformatie.
Het VIP-decreet is finaal goedgekeurd en bekrachtigd door de Vlaamse Regering d.d. 22 december 2023. Het decreet trad in werking op 01 januari 2024.
Aanvragers wensen informatie over onroerende goederen van verschillende overheidsinstanties, waaronder gemeenten, centraal en gebundeld te ontvangen.
De gemeente vindt het belangrijk dat potentiële kopers met kennis van zaken een beslissing kunnen nemen over een onroerend goed.
Gemeenten zijn op zoek naar mogelijkheden om informatie over onroerende goederen efficiënter en veiliger te delen.
Het Vastgoedinformatieplatform is een elektronisch informatiesysteem om vastgoedinformatie te ontsluiten, samen te voegen en ter beschikking te stellen, en uit te wisselen tussen aanleverende entiteiten en aanvragers.
Dit platform wordt beheerd door het Vlaams Datanutsbedrijf (ook “Athumi” genoemd) zoals geregeld in het Decreet van 22 december 2023 over het Vastgoedinformatieplatform.
De gemeente kan via het Vastgoedinformatieplatform de door aanvragers aangevraagde vastgoedinformatie verzamelen in een product en dit product met vastgoedinformatie kan ontsluiten.
Het verzamelen en ontsluiten, via het Vastgoedinformatieplatform, van vastgoedinformatie en het samenvoegen van deze vastgoedinformatie in een product, op verzoek van aanvragers brengt voor de gemeente een administratieve last en bijhorende kost met zich mee.
De gemeente Aartselaar wenst de kost voor het ontsluiten, samenvoegen en ter beschikking stellen van vastgoedinformatie via producten op de aanvrager ervan te verhalen.
Artikel 1 - Definities
Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
1° vastgoedinformatie: gebouw-, grond- of omgevingsgebonden gegevens inzake een onroerend goed, inclusief informatie met betrekking tot het juridische, administratieve of fysieke statuut van dit onroerend goed.
2° lokale gegevensbron: vastgoedinformatie die een gemeente of de rechtspersonen die ervan afhangen, beheert.
3° centrale gegevensbron: vastgoedinformatie die een Vlaamse instantie of een externe overheid beheert.
4° Vastgoedinformatieplatform of VIP: het elektronische informatiesysteem om vastgoedinformatie te ontsluiten, samen te voegen en ter beschikking te stellen.
5° product: een welbepaalde combinatie van vastgoedinformatie over één perceel, of een onderdeel ervan, die vooraf door het Vlaams Datanutsbedrijf is vastgelegd, die op aanvraag wordt ontsloten door de aanleverende entiteiten, vermeld in het VIP-decreet in artikel 10, eerste tot en met derde lid, die wordt samengevoegd via het VIP, en die ter beschikking wordt gesteld aan de aanvrager via het VIP.
6° externe overheid: overheidsinstanties, vermeld in artikel I.3, 8° van het Bestuursdecreet van 7 december 2018;
7° Vlaamse instantie: een Vlaamse instantie als vermeld in artikel 2, 14°, van het decreet van 2 december 2022 houdende machtiging tot oprichting van het privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Datanutsbedrijf in de vorm van een naamloze vennootschap.
8° aanvrager: een professionele aanvrager (zoals vermeld in artikel 2, 18° van het VIP-decreet) of een burger (zoals vermeld in artikel 2, 7° van het VIP-decreet) of zijn vertegenwoordiger die een aanvraag indient via het VIP.
9° algemene verordening gegevensbescherming: Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.
10° persoonsgegevens: de gegevens, vermeld in artikel 4, 1), van de algemene verordening gegevensbescherming.
11° verwerking: een verwerking als vermeld in artikel 4, 2), van de algemene verordening gegevensbescherming.
12° verwerkingsverantwoordelijke: een verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.
13° betrokkene: een betrokkene als vermeld in artikel 4, 1), van de algemene verordening gegevensbescherming.
14° VIP-decreet: decreet van 22 december 2023 over het Vastgoedinformatieplatform.
15° gemeentelijke bronretributie: de retributie die de aanvrager verschuldigd is aan een lokaal bestuur voor het ontsluiten, samenvoegen en ter beschikking stellen van vastgoedinformatie in een product.
Artikel 2 - Algemeen
De aanvrager dient elektronisch een aanvraag in bij Athumi om een product via het Vastgoedinformatieplatform te ontvangen. Athumi ontvangt op elektronische wijze de vastgoedinformatie van de aanleverende entiteiten (de lokale gegevensbronnen en de centrale gegevensbronnen). De relevante vastgoedinformatie per perceel, of een onderdeel daarvan, wordt automatisch opgeladen in een product in het VIP of wordt door de aanleverende entiteiten aan het VIP bezorgd. Athumi en de gemeente stellen het product via het VIP ter beschikking aan de aanvrager.
In de mate dat persoonsgegevens zouden worden verwerkt in het kader van een product, verwerkt de gemeente die persoonsgegevens met als doeleinde om het product ter beschikking te kunnen stellen aan de aanvragers in het kader van hun beroepsactiviteiten of in het kader van één van de doelstellingen opgesomd in artikel 6 van het VIP-decreet. Voor alle aanvragen die via het VIP verlopen, wordt ten voordele van gemeente Aartselaar een gemeentelijke bronretributie geheven op aanvragen tot het verkrijgen van een product met vastgoedinformatie uit een lokale gegevensbron.
Artikel 3 – Aanvrager van vastgoedinformatie
Alle aanvragen van producten, zoals vermeld in artikel 7 van het VIP-decreet, worden geacht via het VIP te verlopen. Het verplicht gebruik van het Vastgoedinformatieplatform wordt voor producten met vastgoedinformatie uit een lokale gegevensbron geregeld in het VIP-decreet.
Een oplijsting van alle organisaties die als aanvrager toegang krijgen tot het Vastgoedinformatieplatform voor aanvragen van producten wordt door Athumi ter beschikking gesteld op de website van Athumi (1).
De gemeentelijke bronretributie is, overeenkomstig artikel 21 van het VIP-decreet, verschuldigd door de aanvrager. Van zodra het VIP-decreet in werking treedt is eveneens de platformretributie in de zin van artikel 2, 15°, en 19, eerste lid, 1°, van het VIP-decreet verschuldigd door de aanvrager.
Dezelfde instanties die overeenkomstig artikel 23, §3, van het VIP-decreet zijn vrijgesteld van de platformretributie in de zin van artikel 2, 15°, en 19, eerste lid, 1°, van het VIP-decreet worden vrijgesteld van de betaling van gemeentelijke bronretributie. Het gaat in concreto over deze organisaties:
• externe overheden; een overheidsinstantie als vermeld in artikel I.3, 8°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
• Vlaamse instanties, als vermeld in artikel 2, 14°, van het decreet van 2 december 2022.
• lokale overheden, als vermeld in artikel I.3, 5°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
• gerechtelijke overheden.
• hulpverleningszones als vermeld in het koninklijk besluit van 2 februari 2009 tot vaststelling van de territoriale afbakening van de hulpverleningszones.
• politiezones als vermeld in artikel 9 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
(1) https://www.vlaanderen.be/digitaal-vlaanderen/athumi-het-vlaams-datanutsbedrijf/vastgoedinformatieplatform/gebruikersomgeving-vastgoedinformatieplatform.
Artikel 4 - Bedrag
Het bedrag van de gemeentelijke bronretributie wordt vastgelegd als volgt:
- Voorwerp aanvraag
- Retributiebedrag per kadastraal perceel
- Product Vastgoedinlichtingen, zoals vermeld in hoofdstuk 8 van het VIP-decreet: € 150 (€ 100 modelformulier vastgoedinformatie, € 25 uittreksel plannenregister, € 25 uittreksel vergunningenregister).
- Spoedregistratie in functie van het afleveren van modelformulieren van vastgoedinformatie conform artikel 5.2.1 tot en met 5.2.6 van de Vlaamse Codex ruimtelijke ordening met inbegrip van de aflevering van modelformulier conform artikel 5.2.1 tot en met 5.2.6 van de Vlaamse Codex ruimtelijke ordening: € 500
Daarbovenop komt het bedrag van de platformretributie of platformvergoeding zoals vastgelegd in het VIP-decreet.
Artikel 5 - Inning
Athumi int de gemeentelijke bronretributie conform artikel 21 van het VIP-decreet via het VIP in naam en voor rekening van de lokale overheden. De bronretributie wordt periodiek (maandelijks) integraal doorgestort aan de gemeente voor alle aangevraagde producten.
Artikel 6 - Verwerking van persoonsgegevens
§1. In de mate dat persoonsgegevens zouden worden verwerkt in het kader van de ontsluiting, samenvoeging en ter beschikkingstelling van vastgoedinformatie in een product, treden de gemeente Aartselaar en Athumi voor de doeleinden omschreven in artikel 2 op als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken. Athumi treedt op als verwerker voor de gemeente Aartselaar wat betreft de verwerkingsactiviteiten die plaatsvinden in het kader van de heffing en de inning van de gemeentelijke bronretributie via het Vastgoedinformatieplatform. De afspraken rond en de modaliteiten van de verwerkingen die de gemeente Aartselaar en Athumi uitvoeren als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken respectievelijk als verwerkingsverantwoordelijke en verwerker zijn geregeld in de Toetredingsovereenkomst die te vinden is als 'Bijlage 1'.
Artikel 7 – Ondertekening
De vastgoedinformatie in het product die de gemeente Aartselaar via het Vastgoedinformatieplatform ter beschikking stelt, wordt niet ondertekend aangezien het product een louter informatief document betreft dat geen beleidsmatige stellingname inhoudt en niet kwalificeert als stuk of briefwisseling in de zin van artikel 279 van het Decreet lokaal bestuur.
Artikel 8 - Vervanging voorgaande reglementering
Dit reglement vervangt vanaf 1 januari 2026 alle retributiereglementen die betrekking hebben op aanvragen van producten, die kunnen worden aangevraagd via het Vastgoedinformatieplatform.
Artikel 9 - Bekendmaking
Dit reglement wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 en 287 van het Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
Artikel 10 - Inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026.
Decreet lokaal bestuur 22.12.2017, en latere wijzigingen.
Retributiereglement voor het gebruik van de gemeentelijke lokalen of infrastructuur goedgekeurd op de gemeenteraad d.d. 14.12.2020, aangepast op gemeenteraad 02 september 2024.
Het aflopen van het geldende retributiereglement voor het gebruik van de gemeentelijke lokalen of infrastructuur op 31.12.2025.
De tarieven voor de polyvalente infrastructuur dateren van 2020 en werden sindsdien niet geïndexeerd. Voor 2020 gold een ander retributiereglement (2013–2019) met een afwijkende berekeningswijze. Bij de overstap in 2020 werd bewust gekozen voor meer transparantie in de tariefberekening, zonder daarbij structurele tariefstijgingen door te voeren.
In het nieuwe reglement voor 2026–2031 is rekening gehouden met een gewenste verhoging van de retributietarieven met 20%.
Om een vlotte logistieke afhandeling te garanderen én organisaties en verenigingen die al reservaties voor 2026 hebben ingepland voldoende tijd te geven om zich aan te passen, stelt de Cultuurdienst voor om de nieuwe tarieven ten vroegste te laten ingaan op 1 september 2026. Die datum valt samen met de start van een nieuw seizoen en schooljaar, waardoor verenigingen indien nodig hun eigen ticketprijzen, inschrijvingsgelden of lidgelden tijdig kunnen aanpassen aan de verhoogde retributies voor de infrastructuur die zij huren voor hun activiteiten.
Enig artikel
Het aangepaste retributiereglement voor het gebruik van de gemeentelijke lokalen of infrastructuur goed te keuren.
Retributiereglement voor het gebruik van de gemeentelijke lokalen of infrastructuur.
Artikel 1
Voor de periode 01.01.2026 t/m 31.12.2031 voor het gebruik van de gemeentelijke polyvalente lokalen of infrastructuur retributies te heffen.
Artikel 2
De retributies zijn verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die door een machtiging of een overeenkomst toelating heeft verkregen tot het gebruik van de gemeentelijke lokalen of infrastructuur.
Artikel 3
Deze retributies worden als volgt vastgesteld:
|
|
TARIEVEN |
TARIEVEN |
TARIEVEN
|
|||||
| CHALET DE HAMER (7u - 23u) |
||||||||
|
UURTARIEF
|
€ 6,00 |
€ 12,00 |
Kan alleen gehuurd worden mits toestemming van College in combinatie met CC ’t Aambeeld € 30,00 |
|||||
|
Overschrijden aangevraagde reservatieperiode > 15min - ≤60 min |
Uurtarief x 2 |
Uurtarief x 2 |
Kan alleen gehuurd worden mits toestemming van College in combinatie met CC ’t Aambeeld Uurtarief x2 |
|||||
|
Overschrijden aangevraagde reservatieperiode vanaf > 60 min |
Uurtarief x 4 / per begonnen uur |
Uurtarief x 4 / per begonnen uur |
Kan alleen gehuurd worden mits toestemming van College in combinatie met CC ’t Aambeeld Uurtarief x 4 / per begonnen uur |
|||||
|
UURTARIEF extra poets bij het niet volgens de bepalingen in het huishoudelijk reglement achterlaten van de gehuurde ruimtes |
€ 30,00 u/p.p |
€ 32,50 u/ p.p. |
Kan alleen gehuurd worden mits toestemming van College in combinatie met CC ’t Aambeeld € 35,00 u/p.p. |
|||||
| REFTER & TURNZAAL CADE – della faillelaan |
||||||||
|
UURTARIEF |
€ 6,00 |
€ 12,00 |
Kan alleen gehuurd worden mits toestemming van College in combinatie met CC ’t Aambeeld € 30,00 |
|||||
|
Overschrijden aangevraagde reservatieperiode > 15min - ≤60 min |
Uurtarief x 2 |
Uurtarief x 2 |
Kan alleen gehuurd worden mits toestemming van College in combinatie met CC ’t Aambeeld Uurtarief x 2 |
|||||
|
Overschrijden aangevraagde reservatieperiode vanaf > 60 min |
Uurtarief x 4 / per begonnen uur |
Uurtarief x 4 / per begonnen uur |
Kan alleen gehuurd worden mits toestemming van College in combinatie met CC ’t Aambeeld Uurtarief x 4 / per begonnen uur |
|||||
|
UURTARIEF extra poets bij het niet volgens de bepalingen in het huishoudelijk reglement achterlaten van de gehuurde ruimtes |
€ 30,00 u/ p.p. |
€ 32,50 u/p.p. |
Kan alleen gehuurd worden mits toestemming van College in combinatie met CC ’t Aambeeld € 35,00 u/p.p. |
|||||
| KLEUTERSCHOOL BUERSTEDE INDOOR & OUTDOOR |
||||||||
|
UURTARIEF |
€ 6,00 |
€ 12,00 |
|
|||||
|
Overschrijden aangevraagde reservatieperiode > 15min - ≤60 min |
Uurtarief x 2 |
Uurtarief x 2 |
|
|||||
|
Overschrijden aangevraagde reservatieperiode vanaf > 60 min |
Uurtarief x 4 / per begonnen uur |
Uurtarief x 4 / per begonnen uur |
|
|||||
|
UURTARIEF extra poets bij het niet volgens de bepalingen in het huishoudelijk reglement achterlaten van de gehuurde ruimtes |
€ 30,00 u/ p.p. |
€ 32,50 u/p.p. |
|
|||||
| CC ’t AAMBEELD |
||||||||
|
|
||||||||
| CC 't AAMBEELD | FOYER (07u-04u) |
||||||||
| UURTARIEF (incl. keuken en toog / incl. poets / excl. technisch personeel) |
€ 12,00 |
€ 24,00 |
€ 60,00 |
|||||
| Forfaitaire toeslag voor activiteiten met ‘FULL CATERING’
|
€ 250,00 |
€ 275,00 |
€ 300,00 |
|||||
| Forfaitaire toeslag voor activiteiten met ‘LIGHT CATERING’
|
€ 150,00 |
€ 175,00 |
€ 200,00 |
|||||
| UURTARIEF ondersteuning (technisch) personeel Foyer / Zolder (sowieso vereist bij gebruik andere technisch materiaal dan standaard aanwezig in deze ruimtes) |
€ 30,00 u/p.p. |
€ 32,50 u/p.p. |
€ 35,00 u/p.p |
|||||
| CC 't AAMBEELD | ZOLDERLOKAAL (07u - 04) |
||||||||
| UURTARIEF (incl. kleine toog & kichenette/incl. poets /excl. technisch personeel) |
€ 6,00 |
€ 12,00 |
€ 30,00 |
|||||
| UURTARIEF ondersteuning (technisch) personeel Foyer / Zolder (sowieso vereist bij gebruik andere technisch materiaal dan standaard aanwezig in deze ruimtes) |
€ 30,00 u/p.p. |
€ 32,50 u/p.p. |
€ 35,00 u/p.p. |
|||||
| CC 't AAMBEELD | FOYER & GROTE ZAAL |
||||||||
| > Dagen met publieke activiteit Ma - zo: 07u - 04u |
||||||||
| UURTARIEF (incl. 1 personeelslid voor opbouw, afbraak en beperkte technische ondersteuning tijdens de activiteit die combineerbaar is met de permanentiefunctie (d.w.z. dat de technieker op elk moment zijn post moet kunnen verlaten zonder het verloop van de activiteit in het gedrang te brengen) |
€ 25,00 |
€ 50,00 |
€ 125,00 |
|||||
| Forfaitaire toeslag voor activiteiten met ‘FULL CATERING’
|
€ 250,00 |
€ 275,00 |
€ 300,00 |
|||||
| Forfaitaire toeslag voor activiteiten met ‘LIGHT CATERING’
|
|
|
|
|||||
| UURTARIEF extra Technieker voor technische ondersteuning tijdens de publieke activiteit die niet combineerbaar is met de permanentiefunctie |
€ 30,00 u/p.p. |
€ 32,50 u/p.p. |
€ 35,00 u/p.p. |
|||||
| > Dagen met opbouw/repetitie/afbraak (zonder publiek). Ma - vrij: 07u - 17u |
||||||||
| UURTARIEF volledig centrum (incl. 1 personeelslid voor (technische) voorbereiding, opbouw, afbraak) |
€ 6,00 |
€ 12,00 |
€ 30,00 |
|||||
| UURTARIEF extra Technieker |
€ 30,00 u/ p.p. |
€ 32,50 u/p.p. |
€ 35,00 u/p.p. |
|||||
| > Dagen met opbouw/repetitie/afbraak (zonder publiek). Ma - vrij: 17u - 01u |
||||||||
| UURTARIEF volledig centrum (incl. 1 personeelslid voor (technische) voorbereiding, opbouw, afbraak) |
|
|
|
|||||
| UURTARIEF extra Technieker |
€ 30,00 u/p.p. |
€ 32,50 u/p.p. |
€ 35,00 u/p.p. |
|||||
| > CC 't Aambeeld - overschrijden uren / extra poets |
||||||||
| Overschrijden aangevraagde reservatieperiode > 15min - ≤60 min |
Uurtarief x 2 |
Uurtarief x 2 |
Uurtarief x 2 |
|||||
| Overschrijden aangevraagde reservatieperiode > 60 min |
Uurtarief x 4 / per begonnen uur |
Uurtarief x 4 / per begonnen uur |
Uurtarief x 4 / per begonnen uur |
|||||
| UURTARIEF extra poets bij het niet volgens de bepalingen in het huishoudelijk reglement achterlaten van de gehuurde ruimtes |
€ 30,00 u/p.p. |
€ 32,50 u/p.p. |
€ 35,00 u/p.p. |
|||||
|
|
||||||||
| DE LEONAAR (07u – 04u ) |
||||||||
|
|
|
|
|
|||||
| WEEKENDTARIEF voor feestjes |
€ 120,00 |
€ 240,00 |
€ 600,00 |
|||||
| Overschrijden aangevraagde reservatieperiode > 15min - ≤60 min |
Uurtarief x 2 |
Uurtarief x 2 |
Uurtarief x 2 |
|||||
| Overschrijden aangevraagde reservatieperiode vanaf > 60 min |
Uurtarief x 4 / per |
Uurtarief x 4 / per begonnen uur |
Uurtarief x 4 / per begonnen uur |
|||||
| UURTARIEF extra poets bij het niet volgens de bepalingen in het huishoudelijk reglement achterlaten van de gehuurde ruimtes |
€ 30,00 u/p.p. |
€ 32,50 u/p.p. |
€ 35,00 u/p.p. |
|||||
|
|
||||||||
| HUUR TECHNICI - OP LOCATIES BUITEN CC |
||||||||
| UURTARIEF |
€ 35,00 p.p. |
€ 40,00 p.p. |
NVT |
|||||
|
|
||||||||
| DRANKPRIJZEN |
|
|
|
|||||
| Drankprijzen |
Brouwersprijzen + 15% (+21%btw) |
Brouwersprijzen + 15% (+21% btw) |
Brouwersprijzen + 15% (+21% btw) |
|||||
Artikel 4
Behoren tot:
Categorie A
Categorie B
activiteiten organiseren voor het brede publiek (=niet erkende (feitelijke)verenigingen en vzw’s)
Categorie C
>> ook te omschrijven als “iedereen die niet tot categorie A of B behoort’.
activiteiten organiseren voor het brede publiek. vb. feitelijke verenigingen, verenigingen en vzw’s,
Artikel 5
De gemeentelijke diensten en Aartselaarse scholen (tijdens de schooluren) kunnen gratis gebruik maken van de gemeentelijke infrastructuur.
De gemeentelijke adviesraden & wijkraden kunnen gratis gebruik maken van de gemeentelijke infrastructuur voor vergaderingen & informatieve activiteiten.
Artikel 6
§1. Annulering voor reservatie in CC ’t Aambeeld is mogelijk:
§2. Annulering voor reservatie in andere polyvalente gemeentelijke lokalen is mogelijk:
§3. Het lokaal bestuur kan altijd een verleende toelating wijzigen of intrekken om redenen van openbaar nut, van dienstnoodzakelijkheid of in geval van overmacht, zonder dat hiervoor enige schadevergoeding vergoeding verschuldigd te zijn aan de huurder. Indien van dit recht gebruik gemaakt wordt, zal hieromtrent vooraf overleg met de betrokkene(n) zijn. Indien mogelijk wordt er een alternatieve locatie ter beschikking gesteld. Het lokaal bestuur zal een wijziging of intrekking van een verleende machtiging steeds motiveren.
Artikel 7
Huurders kunnen gedurende 2 weken een huuraanvraag in optie nemen. Zonder een definitieve bevestiging door de huurder vervalt deze optie na 2 weken automatisch. Verlenging van de duur van de optie kan allen mits schriftelijke toestemming van een gemeentedienst.
Artikel 8
Alle afwijkingen aan de bepalingen van dit reglement dienen voorgelegd te worden aan het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 9
De retributie wordt door de gemeentelijke diensten gefactureerd binnen de maand na ontlening. Facturen worden digitaal verstuurd.
Bij gebrek aan betaling in der minne, zal de retributie burgerrechtelijk ingevorderd worden voor wat betreft het betwiste gedeelte. De invordering van het niet-betwiste gedeelte zal door middel van een dwangbevel, voorzien in artikel 177 van het decreet over het lokaal bestuur, geschieden.
Artikel 10
Voortaan wordt de vaststelling van de retributiebedragen en van de wijze van inning gedelegeerd naar het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 11
§1. Onderhavig reglement geldt voor alle reservaties in de gemeentelijk polyvalente zalen en infrastructuur na 01 september 2026 (ongeacht de aanvraagdatum)
§2. Reservaties voor de gemeentelijke polyvalente zalen en infrastructuur die plaatsvinden vóór 1 september 2026 worden nog gefactureerd op basis van de retributies zoals vastgelegd in het vorige retributiereglement ‘voor het gebruik van de gemeentelijke polyvalente lokalen en infrastructuur’.
§3. Onderhavig reglement wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De grondwet, artikel 170 §4.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur en latere wijzigingen.
De gemeentelijke technische dienst voert diverse (herstellings-)werken uit aan het openbaar domein om de uniformiteit van het straatbeeld te bewaren, de kwaliteit van de uitvoering te garanderen en het openbaar domein in zijn oorspronkelijke staat te herstellen, bijvoorbeeld:
De gemeente Aartselaar is bevoegd voor het vaststellen van de machtiging tot het heffen van retributies voor diensten en prestaties.
De gemeentelijke technische dienst voert regelmatig werken uit op het openbaar domein in opdracht of ten gevolge van handelingen van derden, zoals herstellingswerken aan wegen of het verwijderen van overhangende begroeiing. Om deze prestaties correct te kunnen aanrekenen aan de verantwoordelijke of verzoekende partij, is het noodzakelijk om een duidelijk retributiereglement vast te stellen. Dit reglement bepaalt de tarieven voor werkuren, het gebruik van materiaal en voertuigen en voorziet in een uniforme methode voor de waardebepaling bij schade aan gemeentelijk groen. De vaststelling van dit retributiereglement draagt bij aan een transparante en kostendekkende werking van de gemeentelijke diensten en zorgt ervoor dat de kosten gedragen worden door de veroorzaker of aanvrager van de werken.
Artikel 1
Voor de periode van 01.01.2026 tot en met 31.12.2031 gemeentelijke retributies te vestigen op het uitvoeren van werken door de gemeentelijke technische dienst voor rekening van derden op het openbaar domein.
Artikel 2
De retributie is verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die de (herstellings-)werken vraagt of heeft veroorzaakt.
Artikel 3
De retributies als volgt vast te stellen:
Werken door de gemeentelijke wegendienst
Werken door de gemeentelijke groendienst
Als de werken aan btw onderworpen zijn, gelden de bovenstaande bedragen exclusief btw.
Artikel 4
Deze gemeentelijke retributies worden gefactureerd na het leveren van de prestaties. Bij gebrek aan betaling in der minne, zal de retributie burgerrechtelijk ingevorderd worden voor wat betreft het betwiste gedeelte. De invordering van het niet-betwiste gedeelte zal geschieden door middel van een dwangbevel, voorzien in artikel 177 van het decreet over het lokaal bestuur.
Artikel 5
Voortaan de vaststelling van de retributiebedragen en van de wijze van inning te delegeren naar het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 6
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Het vorige retributiereglement betreffende de tijdelijke inname van het openbaar domein en de aanvraag van signalisatievergunningen loopt af op 31 december 2025. Om de inning van retributies ook na deze datum mogelijk te maken en de regelgeving te actualiseren, werd een nieuw reglement opgesteld voor de periode 2026–2031.
Het tijdelijk innemen van het openbaar domein of het plaatsen van tijdelijke signalisatie brengt kosten en organisatorische inspanningen met zich mee voor de gemeente, onder meer op het vlak van verkeersveiligheid, coördinatie, administratieve verwerking en het plaatsen en ophalen van signalisatiemateriaal. Daarnaast kunnen dergelijke innames hinder veroorzaken voor bewoners, weggebruikers en andere betrokkenen. Het is dan ook billijk dat hiervoor een retributie wordt aangerekend als compensatie voor de geleverde inspanningen en gemaakte kosten.
Het nieuwe retributiereglement bepaalt de voorwaarden en tarieven voor de tijdelijke inname van het openbaar domein (wegen, voetpaden, parkeerplaatsen, …) en het verkrijgen van een vergunning voor het plaatsen van bijvoorbeeld parkeerverbodsborden, containers of stellingen. Er zijn tarieven opgenomen voor normale en spoedprocedures, evenals voor verschillende types van innames (o.a. containers, evenementen, stellingen, torenkranen). Het reglement voorziet bovendien in duidelijke aanvraagtermijnen, vrijstellingsgronden en sancties bij overtredingen.
Artikel 1 (toepassingsperiode).
Voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031 worden gemeentelijke retributies gevestigd op:
• de tijdelijke inname van het openbaar domein, en
• het verkrijgen van een vergunning voor het plaatsen van een parkeerverbod, container, stelling of andere constructie op het openbaar domein.
Artikel 2 (toepassingsgebied).
Dit reglement bepaalt de voorwaarden waaronder het tijdelijk innemen van het openbaar domein en het plaatsen van tijdelijke signalisatie vergunningsplichtig zijn en worden onderworpen aan een retributie.
Het is van toepassing op alle tijdelijke innames van het openbaar domein die plaatsvinden op:
• wegen, voetpaden, pleinen, bermen, grachten of parkeerplaatsen
die eigendom zijn van of in beheer zijn door de gemeente Aartselaar.
De retributie is verschuldigd door de aanvrager van de vergunning en wordt geheven voor elke inname van het openbaar domein en/of voor het afleveren van een signalisatievergunning, ongeacht de duur of aard van de inname.
Wanneer geen geldige aanvraag werd ingediend, wordt de eigenaar van het goed verantwoordelijk geacht voor de vastgestelde inbreuk of kosten.
Artikel 3 (aanvraagtermijnen en spoedeisende werken).
Een aanvraag tot inname van het openbaar domein dient minstens 10 werkdagen voor de effectieve inname online bij de gemeente Aartselaar ingediend te worden via de digitale toepassing (Eaglebe), die de gemeente hiervoor ter beschikking stelt op de gemeentelijke website.
Wanneer de inname gepaard gaat met afsluiting van een rijbaan of straat dient men de aanvraag minstens 15 kalenderdagen voor de effectieve inname online in te dienen.
In afwijking van de standaardtermijnen kan de gemeente, mits motivering, een aanvraag voor spoedeisende werken aanvaarden die na de voorziene termijn werd ingediend, voor zover de veiligheid en de organisatie van het openbaar domein dit toelaten.
Bij gebruik van door de gemeente aangeboden signalisatiemateriaal kan de aanvrager dit niet zelf afhalen. De plaatsing en ophaling van de signalisatie gebeuren uitsluitend door de gemeentelijke diensten.
Artikel 4 (retributietarieven).
De retributies worden als volgt vastgesteld:
| Inname openbaar domein |
||
|
|
Normale procedure |
Spoedprocedure |
| Afleveren van een vergunning (max. 2 parkeerplaatsen |
24 euro/week |
60 euro + 24 euro/week |
| Plaatsen/ophalen van borden |
18 euro |
35 euro |
| Ontlenen (huur) parkeerverbodsborden |
Vanaf de 2de week |
Vanaf de 2de week |
| Extra parkeerplaats |
12 euro/parkeerplaats/week |
12 euro/parkeerplaats/week |
|
|
|
|
| Inname openbaar domein : container |
||
|
|
Normale procedure |
Spoedprocedure |
| Afleveren van een vergunning
|
30 euro/eerste 5 dagen Vanaf dag 6: + 6 euro/dag |
60 euro spoedprocedure 30 euro/ eerste 5 dagen vanaf dag 6: + 6 euro/dag |
| Plaatsen/ophalen van borden |
18 euro |
35 euro |
| Ontlenen (huur) parkeerverbodsborden |
Vanaf de 2de week 12 euro/bord/week |
Vanaf de 2de week |
|
|
|
|
| Signalisatie naar aanleiding van een evenement |
||
|
|
Normale procedure |
Spoedprocedure |
| Aanvraag vergunning |
30 euro of via AR gratis |
60 euro of via AR gratis |
| Plaatsen en ophalen van 10 tot 20 borden en/of nadars |
60 euro |
|
| Plaatsen en ophalen van meer dan 20 borden en/of nadars |
110 euro |
|
|
|
|
|
| Inname openbaar domein: torenkraan |
||
|
|
Normale procedure |
Spoedprocedure |
| Aanvraag vergunning |
50 euro/week |
75 euro |
| Plaatsen en ophalen van borden |
18 euro |
35 euro |
| Ontlenen (huur) parkeerverbodsborden |
Vanaf de 2de week |
Vanaf de 2de week |
|
|
|
|
| Inname openbaar domein: stelling |
||
|
|
Normale procedure |
Spoedprocedure |
| Aanvraag vergunning |
30 euro/week |
60 euro |
| Plaatsen en ophalen van borden |
18 euro |
35 euro |
| Ontlenen (huur) parkeerverbodsborden |
Vanaf de 2de week |
Vanaf de 2de week |
|
|
|
|
| Overtredingen (vergunning niet (tijdig) aangevraagd of grotere opname in oppervlakte of niet verlengd terwijl de inname behouden bleef) |
||
| Administratieve geldboete |
150 euro |
|
| + verschuldigd retributiebedrag |
|
|
|
|
|
|
Artikel 5 (vrijstellingen).
Van retributie zijn vrijgesteld:
• Alle evenementen en/of sociale activiteiten die worden georganiseerd met goedkeuring van of in samenwerking met het gemeentebestuur.
• Werken uitgevoerd door of in opdracht van een openbaar bestuur of van openbaar nut.
Artikel 6 (betaling en invordering).
De betaling van de gemeentelijke retributies gebeurt op elektronische wijze bij het aanvragen van de prestaties. Uitzonderlijk kan de betaling aan het onthaal van het gemeentehuis plaatsvinden.
Het openbaar domein mag pas worden ingenomen na betaling van de retributie.
Bij gebrek aan vrijwillige betaling wordt:
• het niet-betwiste deel ingevorderd via dwangbevel conform artikel 177 van het Decreet over het Lokaal Bestuur,
• het betwiste deel wordt, indien nodig, burgerrechtelijk ingevorderd.
Artikel 7 (vaststelling van overtredingen en boeten).
Bij gebreke van een voorafgaande aanvraag en toelating, een langere inname in de tijd of een grotere inname in oppervlakte dan toegestaan, wordt een administratieve geldboete van 150 euro opgelegd.
De overtredingen kunnen worden vastgesteld door een gemachtigd ambtenaar.
Deze administratieve geldboete is bijkomend. De overtreder is steeds de retributie verschuldigd voor de inname van het openbaar domein volgens de tarieven zoals bepaald in het reglement en dit vanaf de dag dat de overtreding werd vastgesteld tot het einde van de periode van de inname.
De vaststelling van de inbreuken en de oplegging van administratieve geldboeten gebeurt overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties.
Bij drie of meer overtredingen in hetzelfde kalenderjaar door dezelfde bouwheer, aannemer, bewoner, begunstigde of aanvrager, wordt de administratieve geldboete verhoogd met 50 euro per bijkomende overtreding, tot een maximum van 300 euro.
Artikel 8 (uitvoering).
Het College van Burgemeester en Schepenen is bevoegd voor de uitvoering van dit reglement, met inbegrip van de praktische organisatie van de inning, de controle en de handhaving.
Artikel 9 (inwerkingtreding en bekendmaking).
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het Decreet over het Lokaal Bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De bekendmaking wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van hetzelfde decreet en wordt gepubliceerd op de gemeentelijke website.
Het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Het bestaande retributiereglement voor het kortparkeren en het parkeren in de blauwe zone loopt af op 31 december 2025. In functie van de continuïteit van de handhaving en inning van retributies werd een geactualiseerd reglement opgesteld voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031. In het nieuwe reglement werden enkele bepalingen aangepast om meer juridische zekerheid te bieden.
Het reglement beoogt een doeltreffend beheer van de beschikbare parkeerruimte in zones waar beperkte parkeertijd van toepassing is, zoals blauwe zones en kortparkeerzones. Door een retributie op te leggen aan voertuigen die de toegelaten parkeerduur overschrijden of zich niet aan de geldende regels houden, wordt een hoge rotatiegraad van voertuigen gestimuleerd. Dit bevordert de bereikbaarheid van lokale handelszaken, diensten en woongebieden. Daarnaast draagt het bij aan een verhoogde naleving van de parkeerregels, vermindert het langdurig bezet houden van parkeerplaatsen en bevordert het een vlotte doorstroming in het gemeentelijk verkeer. Het reglement voorziet ook in een gestructureerde aanpak voor de inning van retributies, wat zorgt voor administratieve efficiëntie en rechtszekerheid voor alle betrokken partijen.
Het nieuwe reglement voorziet in een forfaitaire retributie van € 30 per dag wanneer voertuigen langer parkeren dan de toegelaten tijd in een blauwe zone of bij kortparkeren, en dit zonder correcte plaatsing van een parkeerschijf. Personen met een handicap worden vrijgesteld, mits correcte identificatie. Het reglement verduidelijkt ook de betalingswijze, de invorderingsprocedure (met onder andere een gefaseerde aanmaningsstrategie), en bepaalt dat het college bevoegd is voor verdere regeling van tarieven en inning. De aangepaste bepalingen zorgen voor een efficiëntere handhaving en sluiten beter aan bij de actuele noden.
Artikel 1
Voor de termijn van het vigerend retributiereglement, meer bepaald van 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031, wordt een gemeentelijke retributie gevestigd voor het parkeren van motorvoertuigen op de openbare weg of op de plaatsen gelijkgesteld aan de openbare weg.
Dit reglement beoogt het parkeren van een motorvoertuig op plaatsen waar dat parkeren toegelaten is én waar een blauwe zone-reglementering of kortparkeren van toepassing is.
Onder openbare weg verstaat men de wegen en hun trottoirs of nabijgelegen bermen die eigendom zijn van de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke overheden.
Onder met een openbare weg gelijkgestelde plaatsen verstaat men de parkeerplaatsen gelegen op de openbare weg, zoals vermeld in artikel 4, §2, van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten.
Artikel 2
De retributie wordt als volgt vastgesteld:
- Een forfaitair bedrag van € 30 per dag voor elke periode die langer is dan deze die gratis is (de maximale duur toegelaten door de verkeersborden).
De door de gebruiker gewenste parkeerduur wordt vastgesteld door het zichtbaar aanbrengen achter de voorruit van het voertuig van een geldige parkeerschijf, overeenkomstig artikel 27.1.1 van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975.
Deze reglementering is niet van toepassing op de bewoners die de door de gemeente uitgereikte officiële bewonerskaart, overeenkomstig het ministerieel besluit van 18 december 1991 zichtbaar aanbrengen achter de voorruit van het voertuig. De gemeente Aartselaar kent géén bewonerskaarten toe.
Artikel 3
Worden vrijgesteld van de gemeentelijke retributie op plaatsen waar een blauwe zone reglementering van toepassing is:
- De personen met een handicap, mits zij de afgeleverde parkeerkaart voor personen met een handicap, uitgereikt door de daartoe bevoegde instantie, zichtbaar aanbrengen of geregistreerd zijn in het centraal parkeerrechtenregister. Deze voertuigen hoeven geen parkeerschijf te leggen.
Artikel 4
De retributie is verschuldigd door de houder van de nummerplaat.
De retributie is verschuldigd zodra het voertuig langer geparkeerd is dan de tijd die toegelaten is door de verkeersborden, en is betaalbaar door overschrijving op de rekening van de gemeente of haar concessiehouder; deze laatste mogelijkheid wordt enkel aangeboden als de gebruiker opteert voor de toepassing van het forfaitair tarief.
Artikel 5
Als de parkeerschijf niet zichtbaar achter de voorruit van zijn voertuig is geplaatst of in geval de gebruiker de pijl niet op het streepje plaatst dat volgt op het tijdstip van aankomst of indien de gebruiker de aanduidingen wijzigt zonder dat het voertuig de parkeerplaats heeft verlaten, wordt de gebruiker steeds geacht te kiezen voor de betaling van het in artikel 2 bedoelde forfaitaire tarief.
Bij toepassing van het hierboven vermelde forfait, brengt de gemeente of haar concessiehouder een uitnodiging om de retributie binnen de vijf dagen te betalen aan op de voorruit van het voertuig.
Artikel 6
De invorderingsprocedure voor consumenten aan te passen om in overeenstemming te zijn met de nieuwe invorderingswetgeving en in overeenstemming te brengen met de invorderingsprocedure zoals in het lokaal bestuur.
Bij niet-betaling wordt een eerste kosteloze aanmaning verstuurd. Vervolgens een tweede aanmaning met een verhoging van € 10. Daarna kan eventueel een derde aanmaning worden verstuurd met weer een verhoging van € 10.
Bij niet-betaling na bovenstaande aanmaningen ontvangt de concessiehouder een uitvoerbare titel van de gemeente, waarmee de deurwaarder aan de slag kan voor het opstellen van het dwangbevel. Dit wordt vervolgens aan de financieel directeur aangeboden ter ondertekening (digitaal), waarna het deurwaarderskantoor het kan uitvoeren. Door het invoeren van een dwangbevel kunnen de kosten voor de minnelijke fase via het deurwaarderskantoor alsnog verhaald worden op de verweerder.
Voor andere partijen dan consumenten is dezelfde invorderingsprocedure van toepassing: bij niet-betaling wordt een eerste kosteloze aanmaning verstuurd. Vervolgens een tweede aanmaning met een verhoging van € 10. Daarna kan eventueel een derde aanmaning worden verstuurd met weer een verhoging van € 10.
Tenslotte, als betaling uitblijft, wordt het dossier toevertrouwd aan een gerechtsdeurwaarder voor verdere inning.
De gerechtsdeurwaarder zet de invordering verder volgens de regels van het gemeen recht door middel van het organiseren van een doorgedreven minnelijke invordering met als doel om de invordering via gerechtelijke weg te vermijden. De kosten van deze minnelijke invordering bedragen maximaal € 30 en zijn ten laste van de debiteur.
Bij niet-betaling na de minnelijke pogingen, ondernomen door de gerechtsdeurwaarder, zal deze laatste de invordering gerechtelijk verderzetten.
De kosten, rechten en uitschotten blootgesteld in alle fasen van de invordering van de verschuldigde bedragen vallen ten laste van de debiteur van de retributie en zullen toegevoegd worden aan het initieel verschuldigd bedrag (bedrag van de retributie en administratieve kosten). Deze kosten, rechten en uitschotten worden berekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 november 1976 dat het tarief vastlegt van de akten verricht door de gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van sommige toelagen.
Artikel 7
Voortaan het vaststellen van het tarief en de bepaling van de wijze van inning hiervan te delegeren aan het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 8
Onderhavig reglement treedt in voege vanaf 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De grondwet, artikel 170 §4.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
De statuten van de interlokale vereniging DOK~3.
Het huishoudelijk reglement van de interlokale vereniging DOK~3.
De gemeente stelt het intergemeentelijk zwembad ter beschikking aan natuurlijke en rechtspersonen.
De gemeente Aartselaar is bevoegd voor het vaststellen van de machtiging tot het heffen van retributies voor diensten en prestaties.
Artikel 1
Voor de periode die aanvangt op 01.01.2026 en eindigt op 31.12.2031 voor het gebruik van het intergemeentelijk zwembad retributies te heffen.
Artikel 2
De retributies zijn verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die door een machtiging of een overeenkomst toelating heeft verkregen tot het gebruik van het intergemeentelijk zwembad.
Artikel 3
Deze retributies worden als volgt vastgesteld:
- Kinderen tot 3 jaar 1 euro/zwembeurt - 2 euro/zwembeurt woonplaats begeleider is bepalend voor het tarief van het kind.
- Inwoners: € 3,00 (scholen/verenigingen/-18/personen met een handicap/65+) en € 5,00 (+18)
- Niet-inwoners: € 4,00 (-18) en € 6 (scholen/+18)
- Secundaire scholen buiten de 3 gemeenten: € 4
- Zwemscholen: € 5,00 begeleiding / € 3,00/zwemles 0,5 u
- Privélesgevers na goedkeuring management ILV € 5,00/u
- Afhuur zwembad met eigen veiligheidspersoneel buiten de openingsuren: € 50,00 afhuring/u enkel door erkende sportverenigingen
- Globale zwembad verhuur (wedstrijden): € 125,00 enkel voor de organisatie van officiële zwemwedstrijden met eigen veiligheidspersoneel
- Tarief regelmatige klanten: 1 gratis beurt bij oplading van 10 beurtenkaart
- Verhuur materiaal: klein materiaal € 1,00 / groot materiaal € 2,00 per halfuur.
|
|
Aartselaar/Hemiksem/Niel |
Anderen |
| Kind tot 3 jaar |
€ 1,00 |
€ 2,00 |
| -18 jaar |
€ 3,00 |
€ 4,00 |
| Scholen |
€ 3,00 |
€ 6,00 |
| Verenigingen |
€ 3,00 |
Niet toegelaten |
| Personen met een handicap |
€ 3,00 |
€ 4,00 |
| + 65 jaar |
€ 3,00 |
€ 4,00 |
| + 18 jaar |
€ 5,00 |
€ 6,00 |
| Secundaire scholen |
€ 3,00 |
€ 4,00 |
| Zwemscholen |
€ 3,00 |
Niet van toepassing |
| Zwemscholen begeleiding |
€ 5,00 |
Niet van toepassing |
| Privélesgevers |
€ 5,00 |
Niet van toepassing |
| Afhuring sportvereniging |
€ 50,00 |
Niet van toepassing |
| Globale afhuring wedstrijd |
€ 125,00 |
Niet van toepassing |
| Verhuur klein materiaal |
€ 1,00 |
€ 1,00 |
| Verhuur groot materiaal |
€ 2,00 |
€ 2,00 |
| Gunsttarief |
10 beurten + 1 gratis |
10 beurten + 1 gratis |
Artikel 4
Alle afwijkingen aan de bepalingen van dit reglement dienen voorgelegd te worden aan het beheerscomité van de interlokale vereniging DOK~3.
Artikel 5
De retributie wordt contant geïnd tegen afgifte van een ontvangstbewijs.
Bij gebrek aan betaling in der minne, zal de retributie burgerrechtelijk ingevorderd worden voor wat betreft het betwiste gedeelte. De invordering van het niet-betwiste gedeelte zal door middel van een dwangbevel, voorzien in artikel 177 van het Decreet Lokaal Bestuur, geschieden.
Artikel 6
Voortaan wordt de vaststelling van de retributiebedragen en van de wijze van inning gedelegeerd naar het college van burgemeester en schepenen, na goedkeuring door het beheerscomité van de interlokale vereniging DOK~3.
Artikel 7
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Het retributiereglement voor het gebruik van de gemeentelijke sportinfrastructuur, goedgekeurd door de gemeenteraad d.d. 21 december 2022.
Het lokaal bestuur stelt verschillende sportinfrastructuren ter beschikking van natuurlijke en rechtspersonen voor sportieve en recreatieve doeleinden. Ter vervanging van het vorige retributiereglement wordt voor de beleidsperiode 2026-2031 een nieuw retributiereglement voor het gebruik van deze infrastructuur vastgesteld.
Het lokaal bestuur is bevoegd om retributies te heffen voor het gebruik van gemeentelijke infrastructuur. Het nieuwe retributiereglement verduidelijkt de voorwaarden voor gebruik, de toepasselijke tarieven per infrastructuur en type gebruikers en het annuleringsbeleid. De tarieven zijn vastgesteld op basis van het principe van gedeeltelijke kostendekking, een billijke behandeling van verschillende doelgroepen en administratieve werkbaarheid.
In de retributietabellen wordt doelgroepgericht gecommuniceerd om herkenbaarheid voor gebruikers te vergroten. Inhoudelijk zijn deze doelgroepen echter gekoppeld aan de bestaande gebruikerscategorieën A, B en C, zoals gehanteerd bij het gebruik van de gemeentelijke polyvalente infrastructuur. Deze categorieën vormen de structurele basis voor het bepalen van het toepasselijke tarief, ook wanneer dit niet expliciet in de tabel is vermeld.
Daarnaast bevat het reglement bepalingen over reservatieprocedures, annuleringstermijnen, betalingsmodaliteiten en afwijkingsprocedures, met het oog op een correcte, efficiënte en transparante toepassing.
Artikel 1
Voor de periode van 1 september 2026 tot en met 31 december 2031 wordt een retributie geheven voor het gebruik van de gemeentelijke sportinfrastructuur.
Artikel 2
De retributie is verschuldigd door een natuurlijke of rechtspersoon die op basis van een machtiging of overeenkomst toelating heeft gekregen tot het gebruik van gemeentelijke sportinfrastructuur.
Artikel 3
De tarieven voor het gebruik van de verschillende gemeentelijke sportaccommodaties worden afzonderlijk vastgesteld. Deze tarieven worden bepaald per infrastructuur en per gebruikerscategorie.
Atletiekpiste
| Gebruik | Tarief |
| Erkende Aartselaarse verenigingen - meeting, per dag | € 60,00 |
| Erkende Aartselaarse verenigingen - training, per uur | € 4,00 |
| Aartselaarse scholen buiten schooltijd - per uur | € 3,00 |
| Scholen buiten Aartselaar - per uur | € 6,00 |
| Alle andere gebruikers - zonder verlichting, per uur | € 36,00 |
| Alle andere gebruikers - met verlichting, per uur | € 60,00 |
Onder "alle andere gebruikers" worden verstaan: niet-erkende Aartselaarse verenigingen, niet-Aartselaarse verenigingen, commerciële organisaties en privépersonen.
Voetbalvelden
| Gebruik | Tarief |
| Erkende Aartselaarse verenigingen - wedstrijd, per wedstrijd | € 13,00 |
| Erkende Aartselaarse verenigingen - training, per uur | € 4,50 |
| Erkende Aartselaarse verenigingen - tornooi, per dag | € 60,00 |
| Aartselaarse scholen buiten schooltijd - per uur | € 3,00 |
| Scholen buiten Aartselaar - per uur | € 6,00 |
| Alle andere gebruikers uit Aartselaar - zonder verlichting, per uur | € 36,00 |
| Alle andere gebruikers uit Aartselaar - met verlichting, per uur | € 60,00 |
| Alle andere gebruikers buiten Aartselaar - zonder verlichting, per uur | € 120,00 |
| Alle andere gebruikers buiten Aartselaar - met verlichting, per uur | € 180,00 |
Onder "alle andere gebruikers" worden onder andere verstaan: niet-erkende Aartselaarse verenigingen, niet-Aartselaarse verenigingen, commerciële organisaties en privépersonen.
Petanquehal
| Gebruik | Tarief |
| Erkende Aartselaarse verenigingen - per baan, per uur | € 2,50 |
| Erkende Aartselaarse verenigingen - volledige petanquehal, per uur | € 12,00 |
| Niet-erkende Aartselaarse verenigingen - per baan, per uur | € 5,00 |
| Niet-erkende Aartselaarse verenigingen - volledige petanquehal, per uur | € 24,00 |
| Alle andere gebruikers - per baan, per uur | € 12,00 |
| Alle andere gebruikers - volledige petanquehal, per uur | € 60,00 |
| Aartselaarse scholen buiten schooltijd - per uur | € 2,50 |
| Scholen buiten Aartselaar - per uur | € 6,00 |
Onder "alle andere gebruikers" worden onder andere verstaan: niet-Aartselaarse verenigingen, commerciële organisaties en privépersonen.
Grote zaal
| Gebruik | Tarief |
| Erkende Aartselaarse verenigingen en Aartselaarse scholen buiten schooltijd - volledige zaal (3/3), per uur | € 24,00 |
| Erkende Aartselaarse verenigingen en Aartselaarse scholen buiten schooltijd - 2/3 zaal, per uur | € 15,00 |
| Erkende Aartselaarse verenigingen en Aartselaarse scholen buiten schooltijd - 1/3 zaal, per uur | € 9,00 |
| Alle andere gebruikers - volledige zaal (3/3), per uur | € 30,00 |
| Alle andere gebruikers - 2/3 zaal, per uur | € 21,00 |
| Alle andere gebruikers - 1/3 zaal, per uur | € 15,00 |
Onder "alle andere gebruikers" worden onder andere verstaan: niet-erkende Aartselaarse verenigingen, niet-Aartselaarse verenigingen en scholen, commerciële organisaties en privépersonen.
Polyvalente zaal
| Gebruik | Tarief |
| Erkende Aartselaarse verenigingen en Aartselaarse scholen buiten schooltijd - per uur | € 9,00 |
| Alle andere gebruikers - per uur | € 15,00 |
Squashzalen
| Gebruik | Tarief |
| Erkende Aartselaarse verenigingen - per halfuur | € 4,50 |
| Niet-Aartselaarse verenigingen - per halfuur | € 5,00 |
| Niet-Aartselaarse privépersonen - individueel gebruik, per halfuur | € 5,50 |
Dojo
| Gebruik | Tarief |
| Erkende Aartselaarse verenigingen - per uur | € 6,00 |
| Aartselaarse scholen buiten schooltijd - per uur | € 3,00 |
| Scholen buiten Aartselaar - per uur | € 8,00 |
| Alle andere gebruikers - per uur | € 12,00 |
Onder "alle andere gebruikers" worden onder andere verstaan: niet-erkende Aartselaarse verenigingen, niet-Aartselaarse verenigingen, commerciële organisaties en privépersonen.
Turnzaal Kerk
| Gebruik | Tarief |
| Erkende Aartselaarse verenigingen - per uur | € 6,00 |
| Niet-erkende Aartselaarse verenigingen - per uur | € 12,00 |
| Alle andere gebruikers - per uur | € 30,00 |
Onder "alle andere gebruikers" worden onder andere verstaan: niet-Aartselaarse verenigingen en scholen, commerciële organisaties en privépersonen.
Basketbalhal
| Gebruik | Tarief |
| Erkende Aartselaarse verenigingen - per uur | € 12,00 |
| Niet-erkende Aartselaarse verenigingen - per uur | € 24,00 |
| Aartselaarse scholen buiten schooltijd - per uur | € 3,00 |
| Scholen buiten Aartselaar - per uur | € 15,00 |
| Alle andere gebruikers - per uur | € 60,00 |
Onder "alle andere gebruikers" worden onder andere verstaan: niet-Aartselaarse verenigingen, commerciële organisaties en privépersonen.
Artikel 4
De in de retributietabellen vermelde doelgroepen worden gekoppeld aan de gebruikerscategorieën: A, B en C. Deze indeling bepaalt het toepasselijke tarief, ook wanneer de categorie niet expliciet in de tabel vermeld staat.
Categorie A
Categorie B
Categorie C (iedereen die niet tot categorie A of B behoort)
Artikel 5
Aartselaarse scholen (tijdens de schooluren) mogen 1 dag gratis gebruik maken van de gemeentelijke sportinfrastructuur voor een sportdag, met uitzondering van het intergemeentelijk zwembad.
Artikel 6
De aanvraag voor het gebruik van sportinfrastructuur gebeurt via de online webshop van de gemeentelijke vrijetijdsdiensten of via een ander door het lokaal bestuur aangeduid kanaal.
Artikel 7
Een huuraanvraag kan tot 2 weken in optie genomen worden. Zonder definitieve bevestiging vervalt de optie automatisch. Verlenging is enkel mogelijk mits schriftelijke toestemming van de bevoegde gemeentedienst.
Artikel 8
Annulering is kosteloos mogelijk tot:
Bij latere annulering is de volledige retributie verschuldigd, tenzij overmacht wordt aangetoond.
Artikel 9
Afwijkingen op dit reglement dienen voorafgaandelijk ter goedkeuring aan het college van burgemeester en schepenen te worden voorgelegd.
Artikel 10
De retributie wordt contant geïnd met ontvangstbewijs of via overschrijving. Bij niet-betaling wordt het bedrag ingevorderd overeenkomstig artikel 177 van het Decreet Lokaal Bestuur.
Artikel 11
De vaststelling van de retributies en wijze van inning wordt gedelegeerd aan het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 12
Dit reglement treedt in werking op 1 september 2026 en is van toepassing op het gebruik van de gemeentelijke sportinfrastructuur van die datum.
Artikel 13
Het voorgaande retributiereglement voor het gebruik van de gemeentelijke sportinfrastructuur, goedgekeurd door de gemeenteraad en van kracht tot 31 december 2025, wordt tijdelijk verlengd tot en met 31 augustus 2026. Deze verlenging waarborgt de rechtsgeldige toepassing van tarieven en voorwaarden voor het gebruik van infrastructuur in de tussenliggende periode. Het vernieuwde retributiereglement vervangt het voorgaande retributiereglement volledig vanaf de inwerkingtreding op 1 september 2026.
Het vernieuwde reglement wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het Decreet Lokaal Bestuur. De toezichthoudende overheid wordt verwittigd conform artikel 330 van hetzelfde decreet.
Het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Het lokaal bestuurt organiseert in de beleidsperiode 2026-2031 gemeentelijke sportlessenreeksen, als onderdeel van het gemeentelijk vrijetijdsbeleid. Voor deze activiteiten wordt een retributiereglement vastgesteld.
De organisatie van de gemeentelijke sportlessenreeksen brengt kosten met zich mee. Om een deel daarvan te dekken, wordt een retributie geheven. De tarieven worden afgestemd op het type activiteit en zijn uniform voor alle deelnemers.
Artikel 1
De retributie voor deelname aan gemeentelijke sportlessenreeksen tijdens de beleidsperiode 2026-2031 wordt als volgt vastgesteld:
| Sportlessenreeks | |
| Aquafitness | € 7,50 per les |
| Aquagym | € 4,00 per les |
| Bodyfit | € 3,00 per les |
| Gym+ | € 2,50 per les |
| Initiatie badminton | € 3,00 per les |
| Kleuterparadijs | € 3,00 per les |
Inschrijving is verplicht voor de volledige reeks.
Artikel 2
Bij laattijdige instap wordt de retributie pro rata berekend op basis van het aantal resterende sessies vanaf het moment van inschrijving.
Artikel 3
De inschrijving gebeurt op voorhand via de online webshop van de gemeentelijke vrijetijdsdiensten of via een ander door het lokaal bestuur aangeduid kanaal.
Artikel 4
De retributie moet vooraf worden betaald op de bankrekening van het lokaal bestuur of aan de financieel directeur of diens aangestelde. Het betalingsbewijs moet worden toegevoegd aan de inschrijving. Bij uitblijven van betaling wordt de invordering uitgevoerd conform artikel 177 van het decreet lokaal bestuur.
Artikel 5
Annulering is mogelijk onder volgende voorwaarden:
Dit reglement treedt in werking op 1 april 2026 en is van toepassing op de sportlessenreeksen die starten op of na deze datum, ongeacht het moment van inschrijving. Het reglement wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De toezichthoudende overheid wordt hiervan in kennis gesteld conform artikel 330 van hetzelfde decreet.
Artikel 7
Het voorgaande retributiereglement voor gemeentelijke sportlessenreeksen, dat eindigde op 31 december 2025, wordt tijdelijk verlengd tot en met 31 maart 2026. Deze verlenging waarborgt de geldige toepassing van tarieven en voorwaarden op de lessenreeksen van de eerste periode van 2026. Vanaf 1 april 2026 vervangt het huidige reglement het vorige volledig.
Artikel 8
Voortaan wordt de vaststelling van de retributiebedragen en van de wijze van inning gedelegeerd naar het college van burgemeester en schepenen.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur en latere wijzigingen.
Het lokaal bestuur organiseert tijdens de beleidsperiode 2026-2031 gemeentelijke speelpleinwerking, grabbelpas en tienerwerking, als onderdeel van het gemeentelijk vrijetijdsbeleid. Voor deze activiteiten wordt een retributiereglement vastgesteld.
De organisatie van de gemeentelijke speelpleinwerking, grabbelpas en tienerwerking brengt kosten met zich mee. Om een deel daarvan te dekken wordt een retributie geheven. De tarieven worden afgestemd op het type activiteit en kennen een onderscheid tussen inwoners en niet-inwoners.
Artikel 1
De retributie voor deelname aan de gemeentelijke speelpleinwerking, grabbelpaswerking en tienerwerking tijdens de beleidsperiode 2026-2031 worden als volgt vastgesteld:
| Inwoners | Niet-inwoners | |
| Speelpleinwerking | € 10,00 per dag | € 20,00 per dag |
| Grabbelpaswerking | € 10,00 per dag | € 20,00 per dag |
| Tienerwerking | € 10,00 per dag | € 20,00 per dag |
De voor- en naopvang is inbegrepen.
Artikel 2
Voor kinderen van gescheiden ouders met één ouder die inwoner is, en voor kinderen van personeelsleden van het lokaal bestuur, geldt het tarief voor inwoners.
Artikel 3
Bij uitstappen, workshops, externe activiteiten wordt de retributie berekend als volgt: het basisdagtarief (zoals vermeld in artikel 1) + de bijkomende kostprijs van de activiteit.
Artikel 4
Wanneer een deelnemer na het einde van de opvang wordt opgehaald, wordt - behoudens overmacht - een boete aangerekend van € 6,00 per begonnen kwartier.
Artikel 5
Artikel 6
De retributie moet vooraf worden betaald op de bankrekening van het lokaal bestuur of aan de financieel directeur of diens aangestelde. Het betalingsbewijs moet worden toegevoegd aan de inschrijving. Bij uitblijven van betaling wordt de invordering uitgevoerd conform artikel 177 van het decreet lokaal bestuur.
Artikel 7
Annulering is mogelijk onder volgende voorwaarden:
Artikel 8
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De toezichthoudende overheid wordt hiervan in kennis gesteld conform artikel 330 van hetzelfde decreet.
Artikel 9
Voortaan wordt de vaststelling van de retributiebedragen en van de wijze van inning gedelegeerd naar het college van burgemeester en schepenen.
Decreet lokaal bestuur 22.12.2017, en latere wijzigingen.
Retributiereglement voor het gebruik van de feestmateriaal goedgekeurd op de gemeenteraad d.d. 28.06.2021.
Het aflopen van het geldende retributiereglement voor feestmateriaal op 31.12.2025.
De evaluatie van het gebruik van gemeentelijk feestmateriaal dat door de diensten werd uitgevoerd in juli 2025.
De tarieven voor het gemeentelijk feestmateriaal zijn sinds 2013 niet meer geïndexeerd.
In het nieuwe reglement voor 2026–2031 wordt een verhoging van de retributietarieven met 20% voorgesteld (met enkele bijkomende verhogingen omwille van de hoge aankoopprijs van bepaalde materialen)
Enkele materialen worden geschrapt uit verhuuraanbod:
Kapstokken: worden amper ontleend.
Tenten 6×3: te fragiel voor uitleen (vouwtenten 4x4 blijven wel in verhuur en worden in de toekomst uitgebreid)
Afvalcontainers: hiervoor wordt gezocht naar alternatieve leveranciers voor verenigingen en organisaties.
De voorgestelde tarieven zijn exclusief levering en ophaling.Voor levering en ophaling op één adres binnen Aartselaar wordt een bijkomende retributie van € 50 aangerekend.
Aangezien er voor 2026 nog geen aanvragen voor feestmateriaal zijn goedgekeurd, kunnen de nieuwe tarieven relatief snel worden ingevoerd met een overgangsperiode tot 01 maart 2026.
Het voorliggende retributiereglement dient wel in te gaan op 01.01.2026 aangezien het vorige vervalt op 31.12.2025 en anders is er een vacuüm. In artikel 15 is de overgangsperiode beschreven.
Artikel 1
Het aangepaste retributiereglement voor het huren van gemeentelijk feestmateriaal goed te keuren.
Retributiereglement voor het huren van gemeentelijk feestmateriaal
Artikel 1
Voor de periode die aanvangt op 01.01.2026 en eindigt op 31.12.2031 voor het uitlenen van het gemeentelijk feestmateriaal retributies te heffen.
Artikel 2
Aan Aartselaarse verenigingen, organisatoren van straat- en buurtfeesten, wijkraden en adviesraden, Aartselaarse kunstenaars/artiesten opgenomen in de database Cultuurdienst voor hun culturele activiteiten, organisatoren die gemeentelijke projectsubsidies ontvangen voor hun activititeit, de woonzorgcentra, het gemeentepersoneel, de scholen, het SOCIAAL HUIS , de kerkfabriek, ondernemers- en handelsondernemingen, alsook andere gemeentebesturen en dit voor eigen gebruik, kan het gemeentelijk materiaal ter beschikking worden gesteld voor activiteiten en evenementen, volgens de modaliteiten in de navolgende artikelen omschreven.
Artikel 3
De retributies zijn verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die door een machtiging of een overeenkomst toelating heeft verkregen tot het gebruik het gemeentelijk feestmateriaal.
Artikel 4
Deze retributies worden als volgt vastgesteld:
| Materiaal standplaats - Technisch Centrum |
|
| Klapstoelen (per stuk) |
€ 0,12 |
| Vlaggenmast (per stuk) + vlag inbegrepen |
€ 2,50 |
| Gemeentevlaggen |
Gratis |
| Vlaamse leeuwen |
Gratis |
| Belgische vlaggen |
Gratis |
| Provincievlaggen |
Gratis |
| Vlaggen Europese Gemeenschap |
Gratis |
| Landsvlaggen Europese Gemeenschap |
Gratis |
| Feestverlichting (25 m) |
€ 6,00 |
| Dranghekken (2,5 m/stuk) |
€ 1,20 |
| Wagen dranghekken (230 stuks) |
€ 240,00 |
| Trapje podium |
€ 6,00 |
| Podiumelement (per stuk) |
€ 5,00 |
| Receptietafel (per stuk) |
€ 3,00 |
| Tafel 10 pers. (per stuk) |
€ 6,00 |
| Tafel 8 pers. (per stuk) |
€ 3,00 |
| Tafel 6 pers. (per stuk) |
€ 3,00 |
| Tafel 4 pers. (per stuk) |
€ 3,00 |
| Tentoonstellingspaneel groot (2,50 x 1,25) |
€ 6,00 |
| Tentoonstellingspaneel klein (1,25 x 1,25) |
€ 3,00 |
| Vouwtent (4x4) (per stuk) |
€ 40,00 |
| Spoelbak (8 kranen) incl. Gardena koppeling & slang |
€ 30,00 |
| Materiaal standplaats - Cultuurdienst |
|
| Tentoonstelling set 1 |
€ 18,00 |
| Tentoonstelling set 2 |
€ 9,00 |
| Tentoonstelling set 3 |
€ 9,00 |
| Beamer (incl. kabels en stekkerdoos)* |
€ 20,00 |
| Projectiescherm - statief (4:3 - 162 x 213cm) |
€ 6,00 |
| Mobiele geluidsinstallatie* |
€ 25,00 |
| Set tentoonstellingsspots* |
€ 6,00 |
| Bijkomende kosten |
|
| Levering & ophaling van feestmateriaal door gemeentelijke dienst op 1 adres naar keuze in Aartselaar |
€ 50,00 |
| Laattijdig terugbrengen materialen zonder voorafgaande toestemming |
+ 50% huurprijs/per dag na einde verhuurperiode |
Artikel 5
Van deze retributie zijn eigen gemeentediensten, scholen op het grondgebied Aartselaar en andere gemeentebesturen vrijgesteld.
Artikel 6
§1. Elke aanvraag voor het ontlenen van ‘feestmateriaal met standplaats technisch centrum’ dient tenminste 1 maand voor de activiteit of het evenement digitaal te worden ingediend via de gemeentelijke webshop - https://webshopaartselaar.recreatex.be/
§2. Elke aanvraag voor het ontlenen van ‘feestmateriaal met standplaats Cultuurdienst’ dient tenminste 1 week voor de activiteit of het evenement digitaal te worden ingediend via de gemeentelijke webshop - https://webshopaartselaar.recreatex.be/
§3. Een laattijdige aanvraag kan geweigerd worden of er dient een toeslag betaald te worden van 25€.
§4. Alle aanvragen worden chronologische behandeld. Materiaal wordt toegewezen volgens de nog beschikbare stock op het moment van de aanvraag.
§5. Elke aanvraag moet strikt in overeenstemming zijn met de werkelijke behoeften.
§6. De technische dienst behoudt zich het recht voor de aantallen aan te passen zodat een billijke en objectieve verdeling van het materiaal tussen verschillende aanvragers tijdens eenzelfde periode mogelijk wordt. De aanvrager wordt hiervan schriftelijk ten laatste drie weken voor de activiteit of het evenement, bij voorkeur per e-mail, in kennis gesteld.
§7. Ophaling & terugbrengen van gehuurde materialen verloopt tijdens de reguliere openingsuren van het Technisch Centrum (Oudestraat 8) of Cultuurdienst (CC ’t Aambeeld, della Faillelaan 34) tenzij in onderling overleg anders bepaald.
§8. Indien de huurder opteert om de levering van het feestmateriaal te laten uitvoeren door de gemeentelijke dienst maakt de technische dienst hiervoor een planning op. De aanvrager wordt hiervan schriftelijk ten laatste drie weken voor de activiteit of het evenement, bij voorkeur per e-mail, in kennis gesteld.
Artikel 7
Het uitlenen van materiaal gebeurt onder de volgende voorwaarden:
Artikel 8
Het leveren van het materiaal door een gemeentelijke dienst (excl. beamer, mobiele geluidsinstallatie, sets tentoonstellingsspots) gebeurt onder de volgende voorwaarden:
Artikel 9
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald in de toezegging, wordt het materiaal ter beschikking gesteld voor de duur van de ingerichte activiteit of evenement met een max van 5 werkdagen.
Artikel 10
Het ter beschikking gestelde materiaal mag door de ontlener kosteloos noch mits betaling verder aan derden worden doorgegeven, en mag onder geen enkel beding naar een andere plaats worden overgebracht dan deze bedoelt voor de activiteit of het evenement.
Artikel 11
Het gemeentebestuur kan niet aansprakelijk worden gesteld indien het toegezegde materiaal wegens onvoorziene omstandigheden niet beschikbaar is.
Artikel 12
Alle afwijkingen aan de bepalingen van dit reglement dienen voorgelegd te worden aan het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 13
De retributie wordt door de gemeentelijke diensten gefactureerd binnen de maand na ontlening. Facturen worden digitaal verstuurd.
Bij gebrek aan betaling in der minne, zal de retributie burgerrechtelijk ingevorderd worden voor wat betreft het betwiste gedeelte. De invordering van het niet-betwiste gedeelte zal door middel van een dwangbevel, voorzien in artikel 177 van het decreet over het lokaal bestuur, geschieden.
Artikel 14
Voortaan wordt de vaststelling van de retributiebedragen en van de wijze van inning gedelegeerd naar het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 15
§1. Onderhavig reglement geldt voor alle verhuur van feestmateriaal vanaf 01 maart 2026 (ongeacht de aanvraagdatum).
§2. De verhuur van feestmateriaal met gebruiksdatum vóór 1 maart 2026 wordt nog gefactureerd op basis van de retributies zoals vastgelegd in het vorige retributiereglement ‘feestmateriaal’.
§3. Onderhavig reglement wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten, gewijzigd bij de wetten van 4 juli 2005, 20 juli 2006, 22 december 2009 en 21 januari 2013 en de decreten van 24 februari 2017 en 3 maart 2023 meer bepaald de artikelen 8 tot en met 10 ·
Artikel 28 tot en met 33 van het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en organisatie van kermisactiviteiten en ambulante activiteiten in kermisgastronomie, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2023 Koninklijk Besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen ·
Dit reglement vervangt het vorige retributiereglement dat eindigt op 31/12/2025.
De gemeente organiseert verschillende kermissen op het openbaar domein. Voor het gebruik van deze gemeentelijke ruimte door ambulante handelaars is het noodzakelijk een retributiereglement vast te stellen. Dit reglement vervangt het vorige en werd geactualiseerd om de werking van de kermissen correct te laten verlopen en om bij te dragen aan de kosten van organisatie, toezicht en onderhoud van het openbaar domein.
Het reglement bepaalt de tarieven, de toepassingsmodaliteiten, de wijze van inning, en eventuele vrijstellingen. De opbrengst van de retributie dient ter dekking van de gemeentelijke kosten voor het organiseren van deze evenementen, waaronder logistiek, veiligheid en afvalbeheer. De tarieven werden vastgesteld op basis van vergelijkbare gemeenten en afgestemd op de verschillende kermissen en hun belangrijkheid.
De tarieven werden vastgesteld op basis van vergelijkbare gemeenten en er wordt geadviseerd geen prijsstijging door te voeren.
Artikel 1. Heffingstermijn - belastbaar voorwerp
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een retributiereglement gevestigd op ingebruikname van het openbaar domein met kermisatracties tijdens de verschillende kermissen in Aartselaar.
Artikel2. berekeningsgrondslag en tarieven
De retributie wordt vastgesteld op:
€15 per strekkende meter voor de periode van de Carnavalkermis
€ 18 per strekkende meter voor de periode van de kleine kermis
€ 20 per strekkende meter voor de periode van 1 weekend of minder tijdens de grote kermis
€ 30 per strekkende meter voor een periode die twee weekends tijdens de grote kermis
Artikel 3. Belastingplichtige
De retributie is verschuldigd door de uitbater van de kermisattractie. Deze dient voorafgaandelijk via overschrijving betaald te worden op de bankrekening van de gemeente.
Artikel 4. inwerkingtreding
Dit reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 24 december 2025 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De grondwet, artikel 170 §4.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017.
De omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit.
Het bestaande retributiereglement met betrekking tot de begraafplaatsen loopt op 31.12.2025 ten einde.
Voor 1.1.2026 dient een nieuw retributiereglement door de gemeenteraad te worden vastgesteld.
Het voorstel om voor de periode 01.01.2026 tot en met 31.12.2031 de huidige tarieven te behouden.
Artikel 1
Vanaf 01.01.2026 tot en met 31.12.2031 retributies te vestigen op graf-, columbarium- en urnenveldconcessies. Bij het verlenen van een nieuwe concessie of het hernieuwen ervan voor een periode van 20 jaar gelden volgende tarieven:
Artikel 2
Voor het hernieuwen van concessies voor een periode van minder dan 20 jaar ten gevolge van een bijbegraving of bijzetting wordt het verschuldigde concessietarief vastgesteld in verhouding tot het aantal volle jaren, waarmee de oorspronkelijke concessietermijn wordt verlengd. Indien dit bedrag niet wordt betaald, worden de belanghebbenden geacht af te zien van het recht op verlenging.
Artikel 3
Van 01.01.2026 tot en met 31.12.2031 een retributie van 40 euro te heffen op het afleveren van afdekplaten voor een columbarium of een urnenveld (bovenop de doorrekening van de reële kostprijs van de afdekplaten), een retributie van 25 euro te heffen op het aanbrengen van een naamplaatje op de herdenkingszuil aan de strooiweide en een retributie te heffen op de verstrooiing van stoffelijke overschotten van niet-inwoners ten bedrage van 150 euro op weekdagen en 200 euro op weekenddagen.
Artikel 4
De hogervermelde tarieven moeten na ontvangst van een factuur betaald worden op de rekening van de gemeente of contant in handen van de financieel directeur of zijn aangestelde. Bij gebrek aan betaling in der minne, zal de retributie burgerrechtelijk ingevorderd worden voor wat betreft het betwiste gedeelte. De invordering van het niet-betwiste gedeelte zal door middel van een dwangbevel, voorzien in artikel 177 van het decreet over het lokaal bestuur, geschieden.
Artikel 5
Voortaan de vaststelling van deze retributiebedragen en van de wijze van inning te delegeren naar het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 6
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, in het bijzonder artikel 1.3.3, beschikbaar via codex.vlaanderen.be.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de samenstelling, de organisatie en de werkwijze van de provinciale, intergemeentelijke en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening.
Overeenkomstig de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening moet na elke gemeenteraadsverkiezing een nieuwe gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (GECORO) worden samengesteld. Dit besluit vervangt de vorige samenstelling van 25 maart 2019. De oproep tot kandidaturen werd openbaar bekendgemaakt via de gemeentelijke website en het informatieblad.
De organisatie van een Gecoro is decretaal verplicht volgens artikel 1.3.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Op basis van de kandidaturen werd een voorstel van samenstelling opgesteld, met inachtneming van:
– de decretale vereisten omtrent het aantal leden;
- Het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de samenstelling, de organisatie en de werkwijze van de provinciale, intergemeentelijke en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening;
– de verdeling over drie categorieën:
Deskundigen inzake ruimtelijke ordening,
Vertegenwoordigers van maatschappelijke geledingen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 19/05/2000,
Andere vertegenwoordigers die noch onder 1, noch onder 2 vallen.
Er werd tevens rekening gehouden met de bepalingen rond genderverdeling (maximaal 2/3 van hetzelfde geslacht).
De Gecoro werd bovendien verruimd tot een omgevingsraad omdat de bevoegdheden van de Minaraad (bevoegdheden milieu en natuur) en Gecoro worden geïntegreerd in een eengemaakte omgevingsraad. Dit werd ook reeds toegelicht in het huishoudelijk reglement van de omgevingsraad.
Artikel 1
Volgende personen worden verkozen als effectieve leden van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening, ingedeeld in drie categorieën:
1. Deskundigen inzake ruimtelijke ordening:
De heer Charley Vallet
De heer Bart Hermans
De heer Arpad Dorozmai
De heer Jeroen Touchant
2. Vertegenwoordigers van maatschappelijke geledingen (volgens besluit van 19/05/2000):
Milieu- en natuurverenigingen:
De heer Jozef Smits, voor Natuurpunt en de Fietsersbond
De heer Gert Verschueren, vrijwilliger ANB voor het onderhoud van de Reukens
Werkgevers of zelfstandigen:
mevrouw Martine De Brucker, voor HIW
Werknemers:
De heer Ludo Lorrendopt, voor ABVV
Handelaars:
De heer Mike Schuurmans
3. Andere (niet-deskundigen en niet behorend tot een maatschappelijke geleding conform het besluit van 19/05/2000):
Mevrouw Gerda Damen, voor Heemkundige kring van Aartselaar
Mevrouw Laure Van der Borgh, voor jeugdraad Aartselaar
De heer Geert Danschutter, voor Kiwanis Aartselaar (socioculturele verenigingsleven)
Artikel 2
Volgende personen worden verkozen als plaatsvervangende leden, eveneens ingedeeld volgens de drie categorieën:
1. Deskundigen inzake ruimtelijke ordening:
De heer Filip Van Reeth
De heer Koen De Smet
2. Vertegenwoordigers van maatschappelijke geledingen:
Milieu- en natuurverenigingen:
De heer Robert Reynaert
Werkgevers of zelfstandigen:
De heer Gregory Buytaert, voor VOKA
Werknemers:
De heer François Jordaens, voor ACV en beweging.net
Handelaars:
Mevrouw Ellen Verlinden
3. Andere (niet-deskundigen en niet behorend tot een maatschappelijke geleding conform het besluit van 19/05/2000)
Mevrouw Mieke Oirbans, geïnteresseerde inwoner met engagement voor Aartselaar
Mevrouw Maria Vercauteren, geïnteresseerde inwoner met engagement voor Aartselaar
Mevrouw Elise Jacops, geïnteresseerde inwoner met engagement voor Aartselaar
De heer John Ostermeyer, voorzitter wijkraad Koekoek
Artikel 3
Op voordracht van het college van burgemeester en schepenen de heer Charley Vallet als voorzitter van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening te verkiezen en de heer Toon Dirckx, diensthoofd Omgeving, aan te duiden als vaste (niet-stemgerechtigde) secretaris.
Het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Het decreet BOA van 3 mei 2019 en latere wijzigingen
De gemeente Aartselaar wenst haar beleid inzake Buitenschoolse Opvang en Activiteiten (BOA) verder te structureren. In dat kader werd een geactualiseerde missie- en visietekst opgesteld die richting moet geven aan de toekomstige uitbouw van het BOA-aanbod.
Het document werd herwerkt in overleg met de betrokken diensten en werd aan het college ter goedkeuring voorgelegd.
De missie van BOA Aartselaar is om elk kind te laten opgroeien in een warme, veilige en stimulerende omgeving, waarbij opvang toegankelijk is voor alle gezinnen, met bijzondere aandacht voor kwetsbare situaties en specifieke zorgbehoeften.
De visie bouwt hierop verder met het uitgangspunt dat elk kind recht heeft op kwaliteitsvolle opvang en een zinvolle vrijetijdsbesteding. De werking is verankerd in de schoolomgeving, met aandacht voor differentiatie tussen kleuters en lagereschoolkinderen. Voor kleuters ligt de nadruk op geborgenheid en taalontwikkeling, terwijl voor lagereschoolkinderen de focus ligt op laagdrempelige opvang en pedagogisch waardevolle activiteiten.
BOA Aartselaar ambieert een toekomstgericht beleid waarin de schoolomgeving fungeert als vertrouwde basis en waarin ouders ondersteund worden in de combinatie van werk en gezin.
Enig artikel
De missie en visie van de buitenschoolse opvang en activiteiten (BOA) in Aartselaar zoals hieronder beschreven goed te keuren:
Missie BOA Aartselaar
De buitenschoolse opvang en activiteiten (BOA) van Aartselaar hebben als doel elk kind te laten opgroeien in een warme, veilige en stimulerende omgeving.
De werking richt zich op het voorzien van voldoende en toegankelijke opvang, zodat gezinnen die opvang nodig hebben zo goed mogelijk kunnen worden ondersteund. Daarbij gaat bijzondere aandacht uit naar kwetsbare gezinnen en kinderen met specifieke zorgnoden.
BOA Aartselaar wil bijdragen aan het versterken van gezinnen door ouders de mogelijkheid te bieden om werk en gezinsleven te combineren, terwijl kinderen ruimte krijgen voor spel, rust en sociale ontmoeting in een zorgzame context.
Visie BOA Aartselaar
BOA Aartselaar vertrekt vanuit het uitgangspunt dat elk kind recht heeft op kwaliteitsvolle opvang en een zinvolle invulling van vrije tijd.
De organisatie streeft ernaar een aanbod te realiseren dat voldoende opvangplaatsen omvat en wachtlijsten zoveel mogelijk beperkt.
De werking is ingebed in de schoolomgeving, die fungeert als een vertrouwde en veilige context voor kinderen. Vanuit deze herkenbare omgeving worden opvang en activiteiten aangeboden die bijdragen aan een gevoel van geborgenheid en een vlotte aansluiting tussen school, opvang en vrije tijd.
BOA Aartselaar houdt rekening met de verschillende ontwikkelingsniveaus van kleuters en lagereschoolkinderen.
De werking legt de nadruk op kwalitatieve opvang waarin geborgenheid, spel, taalontwikkeling en welbevinden centraal staan.
Er wordt gestreefd naar opvang binnen of nabij de school, waar kleuters zich op hun eigen tempo kunnen ontwikkelen, ondersteund door betrokken en deskundige begeleiders.
De werking richt zich op het aanbieden van laagdrempelige basisopvang op school, zodat deelname voor zoveel mogelijk kinderen mogelijk blijft.
Daarnaast worden pedagogisch waardevolle activiteiten aangeboden waarin kinderen hun talenten, taalvaardigheid, creativiteit en sociale vaardigheden verder kunnen ontwikkelen.
Binnen het volledige aanbod wordt gericht ingezet op het bereiken van kwetsbare gezinnen en kinderen met specifieke zorgnoden.
Elke situatie wordt zorgvuldig en in overleg met ouders bekeken, zodat in gezamenlijk overleg kan worden bepaald wat haalbaar is binnen de werking.
BOA Aartselaar werkt stapsgewijs aan een toekomstgericht beleid waarin de school fungeert als vertrouwde thuisbasis, waarin elk kind kansen krijgt om te groeien, en waarin gezinnen zich ondersteund kunnen voelen in hun dagelijkse combinatie van werk, opvoeding en vrije tijd.
Het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Het decreet BOA van 3 mei 2019 en latere wijzigingen
Om het buitenschools aanbod op het grondgebied van Aartselaar op een transparante en kwaliteitsvolle manier te organiseren, werd een lokaal erkenningsreglement uitgewerkt. Dit reglement legt de voorwaarden vast waaraan organisatoren van buitenschoolse opvang en activiteiten moeten voldoen om erkend te worden door het lokaal bestuur. Het document werd opgesteld op basis van het BOA-decreet van 3 mei 2019 en bouwt voort op het Europees kwaliteitskader voor kinderopvang. Het erkenningsreglement werd ter goedkeuring voorgelegd aan het college.
Het erkenningsreglement heeft als doel een lokaal kwaliteitskader te bieden voor organisatoren van buitenschoolse opvang en activiteiten (BOA) in Aartselaar.
Het reglement bevat onder andere bepalingen over:
erkenningsvoorwaarden op vlak van organisatie, pedagogiek, medewerkersbeleid, toegankelijkheid, monitoring en samenwerking;
de erkenningsprocedure en beoordelingscriteria;
de geldigheidsduur van de erkenning en de controle op naleving;
voordelen voor erkende organisatoren zoals gebruik van gemeentelijke infrastructuur, communicatiekanalen en subsidiemogelijkheden;
toezicht, handhaving en beroepsmogelijkheden.
Organisaties die voldoen aan de voorwaarden kunnen erkend worden en zo in aanmerking komen voor ondersteuning vanuit het lokaal bestuur. Het reglement biedt bovendien duidelijke garanties inzake veiligheid, kwaliteit en toegankelijkheid van het aanbod voor kinderen van 2,5 tot 12 jaar.
Enig artikel
De gemeenteraad keurt het erkenningsreglement voor organisatoren van buitenschoolse opvang en activiteiten op het grondgebied van Aartselaar goed zoals hieronder beschreven:
Reglement tot erkenning van Aartselaars BOA-aanbod
Artikel 1. Doel
Lokaal bestuur Aartselaar ontwikkelt met dit document een lokaal erkenningskader voor Buitenschoolse Opvang en Activiteiten (BOA). Dit reglement geeft uitvoering aan het BOA-decreet. Het reglement legt lokale kwaliteitsverwachtingen, erkenningsvoorwaarden vast voor organisatoren van buitenschoolse opvang en activiteiten binnen het grondgebied van Aartselaar.
De erkenningsvoorwaarden bouwen voort op de zes kerngebieden die door de Vlaamse overheid zijn vastgelegd en die gebaseerd zijn op het Europees kwaliteitskader voor kinderopvang.
Lokaal bestuur Aartselaar erkent buitenschools aanbod voor kleuters en lagereschoolkinderen dat voldoet aan onderstaande voorwaarden en in overeenstemming is met het BOA-decreet.
Artikel 2. Definities
In dit reglement hebben de onderstaande termen de ernaast vermelde betekenis.
Artikel 3. Doelgroep en toepassingsgebied
Dit reglement geldt voor alle organisatoren die
We maken in dit kader onderscheid tussen:
Elke categorie heeft specifieke erkenningsvoorwaarden.
De lokale erkenning is geen verplichting voor een organisator, maar zal wel een noodzakelijke voorwaarde zijn om in aanmerking te kunnen komen voor een BOA-subsidie.
Artikel 4. Voorwaarden tot erkenning
Organisaties of verenigingen die al erkend zijn door de gemeente Aartselaar of via een ander reglementair kader (bijv. jeugdwerk, sportverenigingen of scholen) moeten geen aparte erkenning aanvragen voor hun buitenschools aanbod. Zij worden automatisch beschouwd als erkend onder dit kader, op voorwaarde dat hun werking voldoet aan de kwaliteitsverwachtingen in dit kader.
Lokaal bestuur Aartselaar verleent de erkenning als BOA-aanbod onder de volgende voorwaarden:
Algemene erkenningsvoorwaarden
Het organisatorisch beleid omvat het beleidsvoerend vermogen. Dat beschrijft hoe de organisator zijn werking structureert, organiseert en vormgeeft om een kwaliteitsvolle en duurzame opvang te realiseren.
Lokale voorwaarden:
Specifieke voorwaarden:
Pedagogisch beleid
Het pedagogisch beleid omvat de visie, aanpak en kwaliteit van de dagelijkse omgang met kinderen. Het richt zich op warme interacties, welbevinden, betrokkenheid en holistische ontwikkeling van elk kind.
Lokale voorwaarden:
Specifieke voorwaarden:
Medewerkersbeleid
Het medewerkersbeleid betreft de aanwerving, begeleiding, competentieontwikkeling en omkadering van personeel en vrijwilligers.
Lokale voorwaarden:
Specifieke voorwaarden:
Toegankelijkheid
Toegankelijkheid betekent dat alle kinderen en gezinnen gelijke kansen krijgen om deel te nemen aan het aanbod.
Lokale voorwaarden:
Monitoring en evaluatie
Monitoring en evaluatie ondersteunen enerzijds de kwaliteitsverbetering van de werking. Ze bieden inzicht in sterktes, drempels en ontwikkelkansen. Anderzijds, door al het aanbod te monitoren kan het beleid daarop afgestemd worden.
Lokale voorwaarden:
Verbondenheid
Verbondenheid verwijst naar de samenwerking en afstemming tussen organisatoren, scholen, ouders, buurt en lokale partners.
Lokale voorwaarden:
Artikel 5. Voordelen verbonden aan de erkenning
Een erkenning als lokale BOA-organisator impliceert volgende voordelen:
Artikel 6. Procedure voor erkenningsaanvraag
§1. Indienen van het aanvraagdossier:
Een aanvraag tot erkenning kan op elk moment ingediend worden via het formulier op de website van lokaal bestuur Aartselaar of bij de coördinator BOA.
Huis van het Kind
tav coördinator BOA
Carillolei 7
2630 Aartselaar
boa@aartselaar.be
De ingevulde gegevens moeten betrekking hebben op de situatie zoals ze is op het moment van indienen van de aanvraag tot erkenning.
De aanvraag tot erkenning bevat minstens:
De aanvrager krijgt een schriftelijke bevestiging (per mail) van ontvangst. Hierin worden ook de contactgegevens van de bevoegde dienst vermeld.
Elke wijziging van werkings- of contactgegevens die zich voordoen na het indienen van de aanvraag moet onmiddellijk schriftelijk worden gemeld aan het lokaal bestuur.
§2. Beoordelingsprocedure:
§3. Beslissing en geldigheidsduur van erkenning:
Artikel 7. Toezicht
§1.Toezicht heeft tot doel de kwaliteit, veiligheid en transparantie van het lokale BOA-aanbod te bewaken met aandacht voor ondersteuning en verbeterkansen.
§2. Door een aanvraag te doen, aanvaardt de organisator elke mogelijke vorm van controle die lokaal bestuur Aartselaar kan (laten) uitoefenen, noodzakelijk voor de toepassing van dit reglement:
§3. Tijdens de periode van erkenning moet de organisator blijven voldoen aan de voorwaarden opgenomen in dit reglement. Bij erkenning aanvaardt de organisator de verantwoordelijkheid om elke wijziging die de erkenning in het gedrang zou kunnen brengen, onmiddellijk zelf te melden aan het lokaal bestuur.
§4. Indien de organisator niet langer voldoet aan alle voorwaarden, dan heeft de organisator na melding hiervan door het lokaal bestuur, de tijd om zich opnieuw in regel te stellen. Deze termijn wordt bepaald naargelang de aard van de tekortkomingen.
§5. Indien de organisator zich niet opnieuw in regel stelt, zal dit kunnen leiden tot de weigering (van verlenging), intrekking of opschorting van de erkenning.
Artikel 8. Handhaving
§1.Het college van burgemeester en schepenen kan de erkenning van de organisator weigeren, opschorten of intrekken indien:
§2. Het lokaal bestuur Aartselaar kan niet aansprakelijk worden gesteld voor de schade die geleden wordt naar aanleiding van de weigering, opschorting of intrekking van de erkenning als organisator buitenschools aanbod.
Artikel 9. Slotbepalingen
Het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Het decreet BOA van 3 mei 2019 en latere wijzigingen
Om uitvoering te geven aan het BOA-decreet en de lokale missie en visie inzake buitenschoolse opvang en activiteiten (BOA) te realiseren, heeft het lokaal bestuur Aartselaar een financieel kader uitgewerkt. Dit document bevat enerzijds de verdeling van de Vlaamse BOA-middelen en anderzijds de erkenning van het eigen gemeentelijk aanbod binnen het BOA-reglement. Het financieel kader en de erkenning werden goedgekeurd door het college.
Het financieel kader bepaalt dat 90% van de Vlaamse BOA-middelen wordt ingezet voor de werking van het gemeentelijke aanbod, dat voldoet aan de erkenningsvoorwaarden. De overige 10% wordt via subsidiereglementen verdeeld onder externe partners, met een evenredige verdeling tussen opvang (categorie A) en activiteiten (categorie B).
Het gemeentelijk aanbod dat erkend wordt onder categorie A omvat o.a. de locaties
Onder categorie B worden erkend:
De gemeente engageert zich om blijvend te investeren in de kwaliteit van haar BOA-aanbod, o.a. via pedagogische ondersteuning, inzet van teamleiders en coaches, en een kindgericht spelaanbod.
Artikel 1
Het financieel kader voor de verdeling van de Vlaamse BOA-middelen zoals hieronder beschreven goed te keuren:
Financieel kader voor de verdeling van de Vlaamse BOA-middelen
Lokaal bestuur Aartselaar ontwikkelt een financieel kader voor Buitenschoolse Opvang en Activiteiten (BOA). Dit kader geeft uitvoering aan het BOA-decreet. De verdeling van middelen moet bijdragen aan onze missie en visie.
De totale Vlaamse BOA middelen worden jaarlijks verdeeld.
Voor externe partners gelden subsidieregels die vastgelegd worden via een subsidiereglement of jaarlijkse oproep.
Eventuele overschotten worden ingezet voor de BOA-regie.
Artikel 2
Het gemeentelijk aanbod van buitenschoolse opvang en activiteiten zoals hieronder beschreven te erkennen:
Erkenning gemeentelijk aanbod:
Het lokaal bestuur Aartselaar erkent volgend gemeentelijk aanbod volgens de criteria in het erkenningsreglement BOA:
Motivering:
Het lokaal bestuur gebruikt 90% van de BOA middelen om het actuele aanbod te kunnen continueren. Daarbij engageert de gemeente zich om bijkomend in te zetten op kwaliteit voor de eigen opvang (categorie A) via
Het decreet lokaal bestuur, artikel 40;
De nieuwe gemeentewet, artikel 117;
Het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 37/12 en artikelen 37/15 tot en met 37/34tot en met artikel 37vicies septies, (in voorkomend geval bij bepaling capaciteit:artikel 37 novies).
Het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 betreffende de lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen zoals gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juni 2006 en het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 27 september 2002 betreffende de Commissie inzake leerlingenrechten zoals gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juni 2006.
Het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad, artikel 21.
Een schoolbestuur moet voor zijn school een aanmeldingsprocedure instellen indien het leerlingen wil kunnen weigeren omwille van bereikte capaciteit.
Een keuze dient gemaakt te worden tussen de aangeboden standaarddossiers.
Een schoolbestuur kan deelnemen aan een gezamenlijke aanmeldingsprocedure, voor alle aanmeldende basisscholen uit de gemeente.
Het overleg in de schoolraad van 16 oktober 2025.
Het schoolbestuur kan de capaciteit voor het kleuteronderwijs ook op niveau van het geboortejaar en voor het lager onderwijs ook op niveau van het leerjaar bepalen.
Artikel 1
Het schoolbestuur stelt voor zijn school met drie vestigingen (Buerstedelei 44, Carillolei 2 en della Faillelaan 36) met instellingsnummer 112474 een digitale aanmeldingsprocedure in voor inschrijvingen voor het schooljaar 2026-2027.
Artikel 2
Het schoolbestuur kiest standaarddossier C: verschillende vestigingsplaatsen - ordenen op rangorde van keuze, afstand en toeval.
Artikel 3
Het schoolbestuur kiest om deel te nemen aan een gezamenlijke aanmeldingsprocedure met volgende participanten:
Nr 901 - Vpl 1 - GO! Basisschool De Blokkendoos - Leon Gilliotlaan 58 - 2630 Aartselaar,
Nr 112474 - Vpl 1 - Gemeentelijke Basisschool Cade - della Faillelaan 36 - 2630 Aartselaar
Nr 112474 - Vpl 2 - Gemeentelijke Basisschool Cade - Carillolei 2 - 2630 Aartselaar
Nr 112474 - Vpl 3 - Gemeentelijke Basisschool Cade - Buerstedelei 44 - 2630 Aartselaar
Nr 10538 - Vpl 1 - Vrije Kleuterschool De Wonderpluim - Carillolei 16 - 2630 Aartselaar
Nr 10546 - Vpl 2 - Vrije basisschool Sint-Jozefschool - Lindenboslaan 2 - 2630 Aartselaar
Artikel 4
Het schoolbestuur bepaalt de capaciteit als volgt:
geboortejaar 2024 25 kleuters
geboortejaar 2023 25 kleuters
geboortejaar 2022 25 kleuters
geboortejaar 2021 25 kleuters (inclusief kinderen geboortejaar 2020 met verlengd verblijf in het kleuteronderwijs)
eerste leerjaar 100 leerlingen
tweede leerjaar 100 leerlingen
derde leerjaar 100 leerlingen
vierde leerjaar 100 leerlingen
vijfde leerjaar 100 leerlingen
zesde leerjaar 100 leerlingen
Artikel 5
Het schoolbestuur neemt kennis van de tijdlijn waarbinnen de aanmeldingen en inschrijvingen lopen, in bijlage.
Het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017 en in het bijzonder op artikel 40 inzake de bevoegdheid van de gemeenteraad, en latere wijzigingen.
Het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking (hierna kortweg “DIS”).
De laatst gecoördineerde statuten van Vlotter.
Het feit dat de gemeente aangesloten is bij Vlotter.
Het gemeenteraadsbesluit inzake de aanduiding van de vertegenwoordiger van de gemeente voor alle (buitengewone) algemene vergaderingen van Vlotter gedurende deze legislatuur.
De oproepingsbrief van 5 november 2025 tot de algemene vergadering van Vlotter d.d. woensdag 17 december om 19u te vergaderzaal van Vlotter CV aan de Col.Silvertopstraat 15, te 2850 Boom met de volgende agendapunten:
- Begroting 2026
De gemeenteraad neemt kennis van de dagorde van deze vergadering en stelt het stemgedrag van de gemeentelijke vertegenwoordiger vast, conform de bepalingen van het decreet Lokaal Bestuur.
De gemeenteraad heeft de bijhorende documenten met betrekking tot de vermelde agendapunten onderzocht.
Er zijn geen redenen om de goedkeuring van de voorgelegde agendapunten te weigeren.
Artikel 1
Goedkeuring te verlenen aan de agendapunten van de algemene vergadering van Vlotter d.d. woensdag 17 december:
- Begroting 2026
Artikel 2
De gemeentelijke vertegenwoordiger wordt gemandateerd om op de algemene vergadering van Vlotter d.d. woensdag 17 december (of iedere andere datum waarop deze uitgesteld of verdaagd zou worden) te handelen en te beslissen conform dit besluit.
Artikel 3
Het college van burgemeester en schepenen wordt gelast met de uitvoering van dit besluit en in het bijzonder met het in kennis stellen daarvan aan Vlotter.
Het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017.
ECOSO vzw, de opvolger van het vroegere WRAK vzw, is een organisatie actief binnen de sector van het hergebruik en de circulaire economie. De vereniging beheert kringloopactiviteiten en staat in voor de inzameling, verwerking en herverdeling van herbruikbare goederen en textiel binnen de regio.
Daarnaast draagt ECOSO vzw bij aan de vermindering van afvalstromen en het optimaal valoriseren van materialen, wat aansluit bij de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente. Door haar werking creëert de organisatie tevens tewerkstellingskansen voor personen met een afstand tot de arbeidsmarkt en vervult zij een belangrijke maatschappelijke rol in het lokale netwerk van sociale economie en milieubeleid.
De gemeente Aartselaar wil haar beleid inzake afvalpreventie, hergebruik en duurzaamheid verder versterken door samen te werken met een erkende kringlooporganisatie. In dat kader werd een verdere samenwerkingsovereenkomst uitgewerkt met ECOSO vzw, waarin afspraken worden vastgelegd over de organisatie van kringloopactiviteiten, de inzameling van textiel en herbruikbare goederen en de afstemming van de ophalingen binnen het gemeentelijk grondgebied.
Deze samenwerking draagt bij aan de realisatie van de gemeentelijke doelstellingen op het vlak van afvalbeleid, circulariteit en milieubewust handelen en bevordert een efficiënte en duurzame omgang met materialen.
Artikel 1. Juridisch kader
De gemeente Aartselaar stimuleert lokaal producthergebruik door minstens één overeenkomst af te sluiten met een door OVAM erkend kringloopcentrum.
Hergebruik: elke handeling waarbij voorwerpen of componenten van voorwerpen die geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij waren bedoeld.
Kringloopgoederen of herbruikbare goederen: potentieel herbruikbare goederen die door een door de OVAM erkend kringloopcentrum worden ingezameld, opgeslagen, gesorteerd, eventueel hersteld en verkocht met hergebruik als doel.
Artikel 2. Inhoud van de opdracht
Het kringloopcentrum biedt diensten aan voor preventie van huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudens vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen en lokale tewerkstelling met het oog op producthergebruik. Dit vindt plaats in het verzorgingsgebied, de gemeenten toegewezen in het individueel erkenningsbesluit. Dit houdt onder andere in het inzamelen op afroep of op aanvraag van potentieel herbruikbare goederen en een samenwerking in het kader van een specifieke opdracht of overeenkomst.
Deze samenwerking ontstaat uit de doelstelling uit het Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen van de OVAM waarbij de kringloopsector 8 kg hergebruik moet realiseren tegen 2030. Hierbij is een goede samenwerking met en ondersteuning van de lokale besturen essentieel. De regierol voor preventie van huishoudelijk afval is toegekend aan de lokale besturen.
Artikel 3. Wederzijdse doorverwijzing en sensibilisering
§ 1. De gemeente Aartselaar vermeldt in haar sensibiliserings- en informatiecampagnes omtrent het gemeentelijk afvalstoffen- en materialenbeleid steeds de mogelijkheid voor de inwoners om herbruikbare goederen rechtstreeks bij het kringloopcentrum of het recyclagepark aan te leveren, of op te laten halen door het kringloopcentrum. De gemeente Aartselaar bewaakt bij alle inzamelacties op haar grondgebied de mogelijke meerwaarde voor lokaal hergebruik en brengt waar nodig diensten en partners samen met kringloopcentra.
§ 2. Het kringloopcentrum zal bij aanmelding van niet-herbruikbare goederen de inwoners doorverwijzen naar de ophaaldiensten van de gemeente Aartselaar of naar het recyclagepark. Het kringloopcentrum beschikt over de correcte gegevens om deze informatie aan de inwoners te kunnen verschaffen.
§ 3. Het kringloopcentrum en de gemeente Aartselaar verbinden zich ertoe om samen te werken rond sensibilisering naar de burger op vlak van lokaal producthergebruik. In onderling overleg wordt afgesproken via welke manier dit kan gebeuren (website, infokrantje, pers, campagnes …).
Artikel 4. Restfractie van het kringloopcentrum
§ 1. Met de restfractie van het kringloopcentrum worden de materialen bedoeld die door het kringloopcentrum niet kunnen worden verkocht voor hergebruik. Deze omvatten zowel de nog recycleerbare fracties als het restafval.
§ 2. Het kringloopcentrum is verantwoordelijk voor de correcte opslag en afvoer van de restfractie.
Artikel 5. Vergoeding en facturatie
§ 1. De gemeente betaalt een vergoeding aan het kringloopcentrum voor het inzamelen, klaarmaken voor verkoop en verkopen van de potentieel herbruikbare goederen. Het kringloopcentrum ontvangt van de gemeente Aartselaar een vergoeding gebaseerd op
Het kringloopcentrum registreert het aantal en de omschrijving van de opgehaalde en binnengebrachte huishoudelijke herbruikbare producten. De berekening naar gewichten gebeurt zoveel als mogelijk door het gebruik van werkelijk gewogen gewichten (indien weegbalans aanwezig) of op basis van de door OVAM goedgekeurde artikeltypelijst.
Per kwartaal bezorgt het kringloopcentrum een overzichtsrapport van het aantal producten dat opnieuw werd hergebruikt aan de betrokken gemeente.
Het bedrag van de vergoeding bedraagt €0,50ct per ingezamelde kg (excl. BTW) hergebruik en wordt afgetopt op €2 per inwoner (excl. BTW) per jaar.
Voor die stromen waarvoor er een aanvaardingsplicht bestaat en waarvoor het kringloopcentrum een vergoeding ontvangt via het beheersorganisme, wordt geen vergoeding betaald.
De gemeente betaalt de vergoeding uit na goedkeuring van het kwartaaloverzicht en uiterlijk dertig dagen na factuurdatum door storting op het rekeningnummer: BE76 5230 8004 6495.
Artikel 6. Toezicht
§ 1. De gemeente Aartselaar en het kringloopcentrum oefenen toezicht uit op de wederzijdse naleving van deze overeenkomst. Op eenvoudige vraag worden alle nodige inlichtingen verstrekt en kunnen gegevens met betrekking tot deze overeenkomst worden geraadpleegd.
§ 2. Deze overeenkomst kan gewijzigd worden mits schriftelijk akkoord van beide partijen.
De contactpersonen, telefoon en e-mail voor de opvolging van de overeenkomst, inclusief de vergoedingen zijn (indien meerdere personen, specifiëren):
Voor het kringloopcentrum:
Leen Ardui, gedelegeerd bestuurder Ecoso vzw_0476/936.004_leen@ecoso.be
Nils Meeus, coördinator Cirkels van Ecoso vzw_0488/17.59.68_nils@ecoso.be
Voor het lokaal bestuur:
Hans Cops, schepen bevoegd voor o.a. afvalbeleid: hans.cops@aartselaar.be
Caroline Drieghe, dienst omgeving: 03/870.16.22: caroline.drieghe@aartselaar.be
Artikel 7. Duur
Deze overeenkomst treedt in werking op 1 januari 2026 en kan door beide partijen jaarlijks opgezegd worden mits inachtneming van een opzegtermijn van 6 maanden.
Deze overeenkomst wordt jaarlijks geëvalueerd.
Artikel 8. Slotbepaling
§ 1. Deze overeenkomst is opgesteld in drie exemplaren te Aartselaar op 15 december 2025 en wordt ondertekend door de vertegenwoordigers van alle partijen, die hiermee verklaren elk één exemplaar te hebben ontvangen.
§ 2. Eén ondertekend exemplaar wordt digitaal aan de OVAM, dienst lokale besturen ter informatie bezorgd. Bij latere wijzigingen, enkel de aanpassing of de wijziging doorsturen.
§ 3. Dit besluit vormt een principiële goedkeuring door het college van burgemeester en schepenen, deze vernieuwde samenwerking met ECOSO vzw zal worden voorgelegd aan de gemeenteraad van 15 december 2025.
Raadsleden Lea Den Abt en Kris Wils verlaten voor dit agendapunt de zitting.
Het decreet van 7.5.2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten, het eredienstendecreet genoemd.
Het besluit van de Vlaamse regering van 13.10.2006 houdende het algemeen reglement op ede boekhouding van de besturen van de erkende erediensten en van de centrale besturen van de erkende erediensten.
De omzendbrief BB 2013-01 van 1.3.2013 over de boekhouding van de besturen van de eredienst.
De financiële nota - budget 2026 van de kerkfabriek Sint-Leonardus, goedgekeurd door de kerkraad op 08.07.2025.
Het gunstig advies van het Bisdom Antwerpen van 08.07.2025.
Omwille van het ontbreken van opgevraagde info wordt voorgesteld om dit agendapunt te verdagen.
Enig artikel
Het budget 2026 van de kerkfabriek Sint-Leonardus te verdagen naar de volgende zitting.
Gelet op het feit dat de stad/gemeente en de burgers voortdurend geconfronteerd worden met de plaatsing van en/of onderhoud aan verschillende nutsvoorzieningen op gemeentelijk grondgebied;
Gelet op het feit dat deze nutsvoorzieningen werkzaamheden vergen langs de gemeentelijke wegen en aldus een impact hebben op het openbaar domein;
Gelet op de goedkeuring door de stad/gemeente van de Code voor infrastructuur en netwerken langs gemeentewegen die tot doel heeft een snelle en vlotte uitvoering van de werken te bevorderen, teneinde de hinder en de duur van de werken tot een minimum herleiden;
Gelet op het feit dat er op het vlak van het onderhoud en de herstellingen ook geregeld dringende werken moeten worden uitgevoerd die verband houden met de continuïteit van de dienstverlening en dat er daarnaast een aantal werken zijn zoals aansluitingswerken, herstellingen en andere kleine onderhoudswerken die omzeggens constant een impact hebben op het openbaar domein;
Gelet op de actualisatie van de code naar aanleiding van meer aandacht voor minder hinder, meer oog voor het totaal concept en het gebruik van nieuwe e-instrumenten GIPOD, KLIP....;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur;
Artikel 1 Algemeen
Er wordt aan de eigenaar van elke nutsvoorziening een retributie aangerekend op de gemeentelijke dienstverlening en het gebruik van het gemeentelijk openbaar domein naar aanleiding van werken aan permanente nutsvoorzieningen op het gemeentelijk openbaar domein, in uitvoering en met toepassing van de Code voor Infrastructuur- en Nutswerken langs gemeentewegen.
Permanente nutsvoorzieningen omvatten:
- alle installaties (zoals kabels, leidingen, buizen,...), inclusief hun aanhorigheden (zoals kabel-, verdeel-, aansluit-, e.a. kasten, palen, masten, toezichts-, verbindings-, e.a. putten, ...) dienstig voor het transport van elektriciteit, gas, gasachtige producten, stoom, drink-, hemel- en afvalwater, warm water, brandstof;
- alle trein- en tramsporen die zich bevinden op de openbare weg. Deze worden eveneens aanzien als nutsvoorzieningen.
De retributie is niet verschuldigd indien de werken worden uitgevoerd samen met of onmiddellijk voorafgaand aan wegen- of rioleringswerken uitgevoerd door de stad/gemeente of indien het werken zijn die uitgevoerd worden op verzoek van de stad/gemeente.
Deze retributie sluit elke andere heffing, semi-heffing, of waarborgstelling in het kader van werken aan permanente nutsvoorzieningen door de gemeente uit zowel in hoofde van de distributienetbeheerder als van haar werkmaatschappij en ongeacht of voorgenoemden deze werken uitvoeren in eigen naam, dan wel laten uitvoeren door derden in naam en voor rekening van de distributienetbeheerder of de werkmaatschappij.
Onderhavig retributiereglement gaat in vanaf 1 januari 2026 voor een termijn eindigend op 31 december 2028.
Artikel 2 - Retributie naar aanleiding van sleufwerken
De retributie naar aanleiding van sleufwerken is verschuldigd per dag en per meter openliggende sleuflengte voor alle sleufwerken. Zij bedraagt per meter sleuflengte voor werken in rijwegen 10,24 euro, voor werken in voetpaden 7,88 euro en voor werken in aardewegen 4,73 euro.
Op deze basisbedragen wordt een indexatie toegepast, naar analogie met de door de VNR goedgekeurde niet-periodieke tarieven, zoals jaarlijks gepubliceerd in augustus.
Indexatie gebeurt aan het begin van een nieuwe cyclus van 3 jaar.
Een begonnen dag geldt voor een volledige dag.
Artikel 3 - Retributie voor dringende werken, aansluitingswerken, herstellingen, kleine onderhoudswerken en ter compensatie van diverse heffingen en belastingen
Voor de hinder veroorzaakt door de dringende werken, aansluitingswerken, herstellingen en kleine onderhoudswerken met een sleufoppervlakte van maximum 3 m2, wordt per kalenderjaar een retributie geheven van 1,00 euro per op het grondgebied van de stad/gemeente aanwezig aansluitingspunt.
Ter compensatie van diverse heffingen en belastingen in hoofde van zowel de distributienetbeheerder als zijn werkmaatschappij wordt een retributie voorzien van 0,5 euro per aanwezig aansluitingspunt op het grondgebied van de stad/gemeente.
Op deze basisbedragen wordt een indexatie toegepast., naar analogie met de door de VNR goedgekeurde niet-periodieke tarieven, zoals jaarlijks gepubliceerd in augustus.
Deze retributies zijn verschuldigd vóór het einde van ieder jaar. In dit kader doet iedere nutsmaatschappij vóór 15 december van ieder jaar opgave van het aantal aansluitingspunten op het grondgebied van de stad/gemeente.
Artikel 4 - Inning
De retributie dient te worden betaald binnen de 30 kalenderdagen na toezending van de facturen.
Artikel 5 - Definitief karakter
Dit retributiereglement wordt toegezonden aan de toezichthoudende overheid.
Het retributiereglement wordt overeenkomstig artikel 286 van het decreet Lokaal Bestuur afgekondigd en bekendgemaakt.
Het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De bepaling van artikel 1.3.3, §8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
De artikels 4 tot en met 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2000.
Adviesraden spelen een belangrijke rol in het gemeentelijk beleid door het verstrekken van advies over relevante onderwerpen. Bij de start van een nieuwe legislatuur is het noodzakelijk de organisatie van de adviesraden te herbekijken. In dit kader werd de werking van elke adviesraad ambtelijk-politiek geëvalueerd, wat aanleiding gaf tot een herziening van het huishoudelijk reglement.
Het huishoudelijk reglement van de adviesraad werd in zijn geheel gereviseerd met als doel de finaliteit van de adviesraad te versterken, namelijk het geven van advies. Tijdens deze oefening werd het reglement geüniformiseerd om meer coherentie te brengen in de werking van de adviesraden.
De GECORO (Gemeentelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening) wordt hierbij breed benaderd, met een focus op de omgeving in zijn geheel, inclusief de domeinen ruimtelijke ordening, milieu en natuur. De werknaam wordt daarom ook omgevormd tot 'Omgevingsraad' om deze bredere benadering te benadrukken.
Hoofdstuk 1: Oprichting en juridische grond
Artikel 1. Oprichting en juridisch kader
Onverminderd de bepaling van artikel 1.3.3, §8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de artikels 4 tot en met 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2000 en latere wijzigingen tot vaststelling van nadere regels voor de samenstelling, de organisatie en de werkwijze van de provinciale, intergemeentelijke en de gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening, regelt dit huishoudelijk reglement de interne werking van de decretaal bepaalde Gemeentelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening van de gemeente Aartselaar, hierna de “Omgevingsraad” genoemd.
Artikel 2: Zetel en werkingsgebied
§1. De zetel van het secretariaat van de Omgevingsraad is gevestigd in het gemeentehuis, Baron Van Ertbornstraat 1, 2630 Aartselaar en e-mailadres ruimtelijkeordening@aartselaar.be.
§2. Het werkingsgebied omvat het volledige grondgebied van de gemeente Aartselaar.
Hoofdstuk 2: Samenstelling van de Omgevingsraad
Artikel 3. Samenstelling
De Omgevingsraad is samengesteld uit de voorzitter, de commissieleden, waaronder één ondervoorzitter, en het secretariaat dat door de administratie van de gemeente wordt waargenomen. De gemeenteraad wijst de commissieleden aan. De voorzitter en de vaste secretaris worden door het college van burgemeester en schepenen voorgedragen. De vaste secretaris is niet stemgerechtigd.
De commissieleden bestaan uit maximaal 13 effectieve commissieleden (inclusief voorzitter en ondervoorzitter) en 13 plaatsvervangende commissieleden, verder genoemd de ‘plaatsvervangers’.
De gemeenteraad garandeert dat minimum één vierde van de leden, waaronder de voorzitter, deskundigen zijn met uiteenlopende specialismen in het omgevingsbeleid.
Hoofdstuk 3: Doelstellingen
Artikel 4: Doelstellingen
De Omgevingsraad beoogt het behoud, de verbetering en de uitwerking van een goede ruimtelijke ordening binnen de gemeente.
De Omgevingsraad voert de opdrachten uit die voortvloeien uit de reglementaire procedures, zoals o.a. de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het Wegendecreet, enz.. De Omgevingsraad kan in uitvoering van deze opdrachten o.m. advies geven over beslissingen m.b.t.:
− het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of gemeentelijk ruimtelijk beleidsplan in de verschillende fasen van de opmaakprocedure,
− de globale objectieven betreffende de opstart en de voortgang van de gemeentelijke planningsprocessen en de uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of beleidsplan,
− de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen in de verschillende fasen van de opmaakprocedure,
− de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen in de verschillende fasen van de opmaakprocedure,
− de aanvragen om planologisch attest op gewestelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau op het grondgebied van de Gemeente Aartselaar,
− de globale objectieven betreffende de opstart en de voortgang van provinciale en gewestelijke planningsprocessen en de uitvoering van de gewestelijke of provinciale ruimtelijke structuurplannen of beleidsplannen voor zover zij relevant zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling van de Gemeente Aartselaar,
− het gewestelijk en provinciaal ruimtelijk structuurplan of beleidsplan voor zover relevant voor de ruimtelijke ontwikkeling van de Gemeente Aartselaar,
− de gewestelijke en provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen voor zover relevant voor de ruimtelijke ontwikkeling van de Gemeente Aartselaar,
− de gewestelijke en provinciale stedenbouwkundige verordeningen voor zover relevant voor de ruimtelijke ontwikkeling van de Gemeente Aartselaar,
− complexe projecten in het kader van het decreet complexe projecten voor zover relevant voor de ruimtelijke ontwikkeling van de Gemeente Aartselaar,
− de omgevingsvergunningsaanvragen op gewestelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau die verstrekkende gevolgen hebben voor de ruimtelijke ontwikkeling van de Gemeente Aartselaar.
De Omgevingsraad dient de haar door het decreet opgedragen taken naar behoren uit te voeren.
Naast de opdrachten die de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening heeft ingevolge de codex ruimtelijke ordening, kan de Omgevingsraad advies geven, opmerkingen maken of voorstellen doen over alle aangelegenheden met betrekking tot het omgevingsbeleid, op eigen initiatief of op verzoek van het college van burgemeester en schepenen, de gemeenteraad of de dienst Omgeving. Hierbij horen ook expliciet de verschillende aspecten van het lokale milieu- en natuurbeleid en dierenwelzijn zoals:
- de gemeentelijke milieubeleidsdocumenten;
- de gemeentelijke initiatieven voor het behoud en de ontwikkeling van de natuurlijke structuur en de algemene natuur-kwaliteit van de gemeente;
- de aangelegenheden met betrekking tot dierenwelzijn;
- het lokale energie- en klimaatplan van de gemeente Aartselaar;
- de burgemeestersconvenant die door de gemeente Aartselaar is ondertekend.
De Omgevingsraad adviseert het lokaal bestuur vanuit een gefundeerd analytisch & objectief standpunt.
De adviezen van de Omgevingsraad hebben steeds tot doel de kwaliteit van de omgeving binnen de gemeente te waarborgen en te optimaliseren.
De Omgevingsraad werkt samen met het bestuur en de diensten in een principieel positief klimaat met behoud van de eigen autonomie.
Hoofdstuk 4: Werking
Artikel 5: De voorzitter
De voorzitter organiseert de werking van de Omgevingsraad en van de eventuele interne werkgroepen. Hij / zij roept de Omgevingsraad bijeen, opent en sluit de zittingen van de Omgevingsraad, leidt de debatten en waakt over de naleving van het huishoudelijk reglement. Indien de voorzitter verhinderd is de zitting bij te wonen, wordt het voorzitterschap waargenomen door de ondervoorzitter. Indien ook de ondervoorzitter afwezig is, wordt het voorzitterschap waargenomen door een door de Omgevingsraad aan te wijzen commissielid. De keuze van de waarnemend voorzitter moet allereerst onder de aanwezige deskundigen en vervolgens de aanwezige plaatsvervangende deskundigen plaatsvinden.
Artikel 6: De secretaris
De secretaris bereidt de vergaderingen en activiteiten van de commissie en van de eventuele werkgroepen voor.
De secretaris adviseert daarbij tevens de voorzitter, en verzamelt alle stukken die nodig zijn voor een optimale agenda, oproeping en vergadering.
De secretaris kan toelichtingen geven bij de agendapunten, deelnemen aan de besprekingen en de beraadslagingen, maar niet aan de stemmingen. De secretaris is wel aanwezig bij de stemmingen.
De secretaris stelt de notulen van de vergadering op en draagt zorg voor het bijhouden ervan.
In geval dat de secretaris de vergadering van de commissie of de werkgroepen niet zoals voorzien bijwoont, en de gemeente geen vervangend personeelslid uit de administratie heeft aangewezen, kan de vergadering een waarnemend secretaris aanwijzen onder de aanwezige deskundigen of plaatsvervangende deskundigen.
Artikel 7 : Effectieve en plaatsvervangende leden
De effectieve leden nemen deel aan de vergadering, de beraadslaging en de stemming.
De plaatsvervangers worden uitgenodigd om aanwezig te zijn op het informatief gedeelte van de vergadering.
Enkel indien de plaatsvervanger aanwezig is op de vergadering ter vervanging van een effectief lid, kan hij deelnemen aan de beraadslaging. Wanneer een effectief lid aangeeft dat hij niet aanwezig zal zijn, dan wordt deze vervangen door een plaatsvervangend lid van dezelfde categorie. Het plaatsvervangend lid dat als eerste op de officiële vraag tot vervanging reageert en tot dezelfde categorie behoort zal zal mogen aantreden als stemgerechtigd lid. In onderlinge afstemming mogen plaatsvervangers van dezelfde categorie ook afspreken wie als stemgerechtigd lid mag optreden. De plaatsvervangers worden uitgenodigd om aanwezig te zijn op het informatief gedeelte van de vergadering. Hij/zij dient de secretaris voorafgaand aan de vergadering hiervan op de hoogte te brengen.
Het lid dat aanwezig is, tekent bij de aanvang van de vergadering de aanwezigheidslijst met vermelding van zijn hoedanigheid (effectief/vervangend). Deze lijst wordt in de notulen opgenomen.
Van Omgevingsraad-leden wordt verwacht dat zij niet enkel aanwezig zijn op de vergaderingen, maar ook actief deelnemen aan de vergaderingen, beraadslagingen en het formuleren en motiveren van het uiteindelijke advies.
Indien een effectief Omgevingsraad-lid driemaal achtereenvolgens zonder verantwoording afwezig is op de vergaderingen, wordt hij/zij verondersteld ontslagnemend te zijn. De voorzitter brengt de betrokkene daarvan op de hoogte. Een plaatsvervanger uit dezelfde categorie (deskundige / decretaal bepaalde maatschappelijke geleding/ andere niet-deskundige niet-decretaal bepaalde maatschappelijke-geleding) wordt dan als effectief lid voorgedragen aan de gemeenteraad. Indien er geen plaatsvervangers in dezelfde categorie meer zijn of het wenselijk is om een bijkomende plaatsvervanger te voorzien zal voor hem/haar een plaatsvervanger voorgedragen worden.
Artikel 8: Vertegenwoordigers van politieke fracties uit de gemeenteraad
De Omgevingsraad nodigt voor iedere vergadering de leden van het College van Burgemeester en schepenen alsook alle politieke fracties in de gemeenteraad uit om één afgevaardigde aan te duiden, die zullen deelnemen aan de informatieve vragenronde van de vergadering.
De afgevaardigden kunnen aan de toelichting en de informatieve vragenronde deelnemen maar mogen de beraadslagingen en stemming niet bijwonen.
Artikel 9:Externe genodigden en deskundigen
De Omgevingsraad kan genodigden toelaten en de nodige instanties/personen/ betrokkenen uitnodigen voor een toelichting over een onderwerp. Zij/hij kunnen aan toelichtingen en de bespreking deelnemen maar mogen de stemming en beraadslaging niet bijwonen.
Artikel 10: De oproeping
De Omgevingsraad wordt bijeengeroepen door de voorzitter.
De oproeping tot een vergadering geschiedt ten minste vijf kalenderdagen voor de zitting en gebeurt in beginsel digitaal via de secretaris van de Omgevingsraad. De oproeping vermeldt de agenda, datum, uur en plaats van de zitting. Bij de oproeping wordt voor de leden en de plaatsvervangende leden van de commissie het ontwerp van verslag van de vorige vergadering gevoegd wanneer dit nog niet digitaal werd goedgekeurd.
Van de oproepingsbrief wordt een afschrift gestuurd aan de vertegenwoordiger van elke politieke fractie in de gemeenteraad, aan het college van burgemeester en schepenen, en aan de eventueel uitgenodigde deskundigen. De vertegenwoordigers van de politieke fracties en het college van burgemeester en schepenen krijgen dezelfde stukken als de leden en de plaatsvervangende leden van de Omgevingsraad.
Van de Omgevingsraad-leden wordt verwacht dat zij niet enkel aanwezig zijn op de vergadering, maar ook actief deelnemen aan de vergaderingen, de beraadslagingen en het formuleren en motiveren van het uiteindelijke advies.
Voor de leden en de plaatsvervangende leden is, vanaf de dag van het versturen van de oproepingen, per punt van de agenda, de volledige bundel digitaal ter inzage. De niet digitale bundel, bijvoorbeeld voor stukken die auteursrechtelijk beschermd zijn, is ter inzage tijdens de openingsuren van de administratieve diensten, op het ter beschikking gestelde secretariaat of bij de secretaris van de Omgevingsraad.
De leden en de plaatsvervangende leden hebben recht op informatie van die stukken en documenten die verband houden met de bevoegdheid van de Omgevingsraad, voor zover dit niet door andere wetgeving wordt verhinderd.
Artikel 11: De agenda
De voorzitter stelt de agenda vast in samenspraak met de secretaris.
Indien een lid een punt op de agenda wenst te plaatsen, dan dient dit te gebeuren vóór de oproeping tot de vergadering en dient het bedoeld agendapunt aangevuld te zijn met een behoorlijke motivering. Hij/zij richt zich hiervoor tot de voorzitter.
Als een lid echter, na een oproeping te hebben ontvangen, toch nog bij hoogdringendheid een punt besproken wenst te zien in de aangekondigde vergadering, dan dient hij/zij dit op schriftelijk gemotiveerde basis kenbaar te maken aan de voorzitter, uiterlijk drie kalenderdagen voor de dag van de zitting.
Een punt dat niet op de agenda voorkomt, mag niet in bespreking worden gebracht, behalve in spoedeisende gevallen. Tot spoedbehandeling kan slechts ter zitting worden besloten door tenminste twee derde van de zitting hebbende leden. De namen van die leden worden in de notulen vermeld.
Artikel 12: De vergaderingen
De vergadering bestaat uit twee delen: enerzijds een openbare zitting (informatief gedeelte) en een besloten zitting (beraadslaging en de adviesopbouw). Het informatieve gedeelte is openbaar, enkel de beraadslaging is in gesloten zitting. De vergaderingen van de Omgevingsraad kunnen openbaar gehouden worden indien bij de start van de beraadslaging daartoe beslist wordt met een twee derde meerderheid van stemgerechtigde commissieleden.
De voorzitter kan na een vergadering de resultaten van het advies publiek maken. Adviezen worden steeds eerst aan het college van burgemeester en schepenen ter kennis gebracht voordat de adviezen publiek worden gemaakt.
Alvorens aan de vergadering deel te nemen tekenen de leden van de Omgevingsraad de aanwezigheidslijst. De namen van die leden worden in de notulen vermeld.
Op de voor de vergadering vastgestelde dag en uur, en van zodra voldoende leden aanwezig zijn om geldig te kunnen beraadslagen, verklaart de voorzitter de vergadering voor geopend.
Indien een kwartier na het vastgestelde uur nog steeds niet voldoende leden aanwezig zijn om geldig te kunnen beraadslagen, stelt de voorzitter vast dat de vergadering niet kan doorgaan. De secretaris maakt hiervan melding op de aanwezigheidslijst.
De agendapunten worden afgewerkt in de door de voorzitter aangegeven volgorde. De voorzitter behoudt zich het recht om de volgorde van de beraadslaging aan te passen.
Nadat het agendapunt werd toegelicht, vraagt de voorzitter welk lid aan het woord wenst te komen.
De voorzitter verleent het woord naar de volgorde van de aanvragen.
De leden en plaatsvervangende leden nemen slechts het woord nadat het hen door de voorzitter werd verleend.
Niemand mag onderbroken worden terwijl hij spreekt, behalve voor een verwijzing naar het reglement of voor een terugroeping tot de orde.
Wanneer een lid afdwaalt van het onderwerp, kan alleen de voorzitter hem tot de behandeling van het onderwerp terugroepen of hem het woord ontnemen.
Elk lid dat in weerwil van de beslissing van de voorzitter aan het woord tracht te blijven, wordt geacht de orde te verstoren.
Elk lid dat de orde verstoort, wordt door de voorzitter tot de orde teruggeroepen. Elk lid dat tot de orde werd teruggeroepen, mag zich verantwoorden, waarna de voorzitter beslist of de terugroeping tot de orde gehandhaafd of ingetrokken wordt. Indien het betrokken lid een tweede maal de orde verstoort, heeft de voorzitter het recht het betrokken lid uit de vergadering te sluiten. Indien de vergadering rumoerig wordt zodat het normale verloop in het gedrang wordt gebracht, kondigt de voorzitter aan dat hij, bij voortduring van het rumoer, de vergadering zal schorsen of sluiten. Indien de wanorde toch aanhoudt, schorst of sluit hij de vergadering. De commissieleden moeten dan onmiddellijk de zaal verlaten.
Van de uitsluiting van een lid, de schorsing of sluiting van de vergadering wordt melding gemaakt in de notulen.
Nadat alle leden voldoende aan het woord zijn geweest en indien de voorzitter oordeelt dat het onderwerp voldoende werd besproken, gaat hij over naar het volgende deel van het punt of naar het volgende agendapunt.
De voorzitter kan de vergadering tijdelijk schorsen indien hij dit nodig acht.
Artikel 13: De stemming
Voor elke stemming omschrijft de voorzitter het voorstel van beslissing waarover de vergadering zich moet uitspreken.
De Omgevingsraad streeft bij haar advies steeds een consensus na. Indien geen consensus mogelijk is, is een gewone meerderheid vereist. Om de meerderheid te bepalen wordt er bij het tellen van de stemmen geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend. De leden stemmen mondeling met “ja”, “neen” of “onthouding” uit te spreken.
Indien de voorzitter stemming bij handopsteken verkiest vraagt de voorzitter achtereenvolgens welke commissieleden “neen” stemmen, “ja” stemmen of zich onthouden. Elk commissielid kan slechts éénmaal de hand opsteken om een stem uit te brengen.
De volgorde van de stemming wordt bepaald door de voorzitter.
De voorzitter van de vergadering stemt het laatst en bij staking van stemmen is zijn stem beslissend.
De stemmen worden opgenomen door de secretaris.
Er wordt overgegaan tot geheime stemming indien minstens de helft van de leden hiermee akkoord gaat. Stemmingen over personen, gebeuren steeds bij geheime stemming.
Bij geheime stemming stemmen de commissieleden met “ja”, “neen” of “onthouding”. De stemmen worden opgenomen door de secretaris.
De uitslag van de stemming wordt door de voorzitter afgekondigd.
Artikel 14: De notulen en adviezen
De notulen bevatten het relaas van wat in de commissie wordt gezegd. Zij geven een overzicht over de ganse vergadering weer inzonderheid de toelichting, bespreking, beraadslaging en stemming betreffende de punten van de agenda.
In de notulen wordt melding gemaakt van wie aanwezig was van de leden en de plaatsvervangende leden, uitgenodigde deskundigen, de vertegenwoordigers uit elke politieke fractie in de gemeenteraad, de secretaris en de personen of ambtenaren die de secretaris bijstaat, tevens of al dan niet publiek werd vergaderd.
De notulen vermelden de resultaten van de stemmingen en geven daarbij eveneens een weerslag van de minderheidsstandpunten.
Het ontwerp notulen en advies worden binnen de 10 werkdagen na de vergadering digitaal overgemaakt aan de leden van de Omgevingsraad, tenzij de situatie vroeger vereist. Elk lid heeft het recht om over het ontwerp van de notulen bezwaren te formuleren tegen de redactie ervan, indien hij/zij zelf in de vergadering aanwezig was. Het lid dient zijn/haar bezwaar schriftelijk per elektronische post (mail) kenbaar te maken aan de secretaris van de Omgevingsraad en dit binnen de 14 werkdagen te rekenen vanaf de verzenddatum van het ontwerp van notulen.
Wordt het bezwaar gegrond bevonden, dan dient de secretaris deze op te nemen in het ontwerp van notulen dat op de volgende Omgevingsraad ter goedkeuring wordt voorgelegd. Een bezwaar wordt als gegrond beschouwd wanneer het betrekking heeft op essentiële en fundamentele elementen van de bespreking die aan de beslissing voorafgaan, of betrekking heeft op de beslissing Afwezigheid van bezwaar wordt gezien als goedkeuring van de notulen.
Indien geen voltallige goedkeuring wordt bekomen dan wordt deze als agendapunt op volgende vergadering voorgelegd ter stemming.
Nadat de notulen goedkeuring verkregen, worden de notulen door de voorzitter en de secretaris ondertekend en zijn ze definitief.
De notulen worden door het secretariaat bewaard.
Een te verstrekken advies, hetwelk door de voorzitter en de secretaris dient te worden ondertekend, wordt aan de bevoegde instanties overgemaakt.
Artikel 15: Werkgroepen
Voor de voorbereiding van complexe dossiers kunnen één of meer werkgroepen worden opgericht. Daartoe dient de commissie te beslissen bij twee derde meerderheid.
In zulke werkgroep worden de leden aangesteld via een commissiebeslissing. Alle leden hebben het recht deel te nemen aan een werkgroep. De oproeping, aanwezigheid, de besprekingen en eventuele beraadslagingen en stemmingen in werkgroepen gebeuren zoals in de commissie zelf.
Van iedere werkgroepvergadering wordt een verslag opgemaakt door de secretaris, dat bij de agenda van de volgende vergadering wordt gevoegd.
Hoofdstuk 5: Deontologie
Artikel 16: Deontologie
Alle leden van de Omgevingsraad ondertekenen een deontologische code die een leidraad tot het uitvoeren van hun mandaat bevat. Deze code bevat minstens de onder dit artikel opgenomen beginselen, gedragsregels en richtlijnen en is steeds in overeenstemming met artikel 1.3.4 van de Vlaamse Code Ruimtelijke Ordening:
Artikel 16.1. Algemeen belang
§ 1. De leden van de commissies voor ruimtelijke ordening houden bij de uitoefening van hun mandaat steeds het algemeen belang voor ogen.
Alle leden onderschrijven de opdrachtverklaring voor de ruimtelijke ordening, verwoord in artikel 1.1.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, die luidt als volgt :
Onze omgeving is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit.
§ 2. De commissievoorzitter stelt zich steeds onafhankelijk en neutraal op.
§ 3. De leden die zetelen als deskundige vertegenwoordigen geen maatschappelijke belangengroep, geleding, vereniging of wat dan ook.
§ 4. De leden die zetelen als vertegenwoordiger van maatschappelijke belangengroepen, kunnen een standpunt aanbrengen en beargumenteren dat aangehouden wordt door de betrokken maatschappelijke belangengroep. De commissies ruimtelijke ordening zijn evenwel niet bedoeld als een forum dat enkel dient om het standpunt van een belangengroep of vereniging te vertolken. De betrokken leden streven er dan ook naar om het belang dat verdedigd wordt door een maatschappelijke belangengroep te overstijgen en mee te werken aan adviezen die gericht zijn op het algemeen belang en de geciteerde doelstelling van de ruimtelijke ordening.
Artikel 16.2. Verbod op belangenvermenging - Principes van integriteit
§ 1. De leden van de commissies voor ruimtelijke ordening zijn gebonden door het verbod op belangenvermenging dat vastgesteld is in de artikelen 1.3.1, § 5, 1.3.2, § 5 en 1.3.3, § 5, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, die telkens luiden als volgt :
Het is voor een lid van de (...) commissie voor ruimtelijke ordening verboden deel te nemen aan de bespreking en de stemming over aangelegenheden waarin hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als gelastigde, of waarbij de echtgenoot, of bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben.
Voor de toepassing van het eerste lid worden personen die wettelijk samenwonen, met echtgenoten gelijkgesteld.
Het lid dat een dergelijk belang heeft bij een aangelegenheid, verontschuldigt zich voor de vergadering waarop die aangelegenheid wordt behandeld, of verlaat de vergaderruimte voor de behandeling van het betrokken agendapunt.
§ 2. Een lid hoeft zich niet te onthouden van de bespreking, beraadslaging en eventuele stemming van een aangelegenheid indien er slechts sprake is van een collectief belang dat het betrokken lid deelt met een reeks andere rechtsonderhorigen. Zo is er geen verboden belangenvermenging in hoofde van leden die inwoner zijn van een gemeente op het ogenblik dat het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of gemeentelijk beleidsplan ruimte wordt besproken. Er is evenmin belangenvermenging in hoofde van een lid dat bijvoorbeeld woonachtig is binnen de perimeter van een ontwerpplan indien het behandelde plan geen specifieke voor- of nadelen oplevert voor het betrokken lid (bijvoorbeeld wat betreft patrimoniale belangen).
Onverminderd de naleving van het verbod op belangenvermenging, vermijden de leden dat een schijn van partijdigheid of vooringenomenheid ontstaat met betrekking tot hun deelname aan de werkzaamheden van de commissie in concrete dossiers :
1°Het lid dat door zijn professionele bezigheden (bijvoorbeeld als advocaat, architect, notaris,...) een vertrouwensband heeft met de aanvrager van een vergunning of een attest, onthoudt zich best bij de bespreking van en de beraadslaging en eventuele stemming over een advies met betrekking tot die vergunningsaanvraag of dat attest, ook al heeft het lid geen rechtstreeks, actueel of in geld waardeerbaar belang bij het concrete dossier. Het verdient de voorkeur dat het betrokken lid zich uit eigen beweging verontschuldigt of de vergaderruimte verlaat.
2° Het is courant dat de commissie de ruimtelijk planner die verantwoordelijk is voor de opmaak van een plan van aanleg, ruimtelijk uitvoeringsplan, ruimtelijk structuurplan of ruimtelijk beleidsplan, uitnodigt voor toelichting en deelname aan de bespreking van een plan. De reglementering bepaalt dat personen die uitgenodigd worden voor toelichting en bespreking niet meer aanwezig kunnen zijn bij de beraadslaging over het advies en de eventuele stemming erover (behalve in geval van openbaarheid, maar ook dan kunnen ze in ieder geval niet meer deelnemen aan die beraadslaging en stemming). Indien een lid van de commissie als ruimtelijk planner verantwoordelijk is voor de opmaak van een plan van aanleg, ruimtelijk uitvoeringsplan, ruimtelijk structuurplan of ruimtelijk beleidsplan, dan kan hij wel toelichting verstrekken en een bijdrage leveren aan de bespreking, maar moet hij zich onthouden en de vergaderruimte verlaten bij de beraadslaging en eventuele stemming over een advies met betrekking tot dat plan. In sommige gevallen kan er sprake zijn van belangenvermenging, bijvoorbeeld als de ruimtelijk planner niet in overheidsdienst is en een financieel belang zou hebben bij de voortgang van een planningsdossier. Maar ook indien de ruimtelijk planner geen rechtstreeks, actueel of in geld waardeerbaar belang heeft bij het concrete dossier, is het beter dat hij de vergaderruimte verlaat na de toelichting en bespreking. Gevallen waarbij een vennoot of medewerker van een lid optreedt als ruimtelijk planner, kunnen op analoge manier benaderd worden.
3° Het lid van wie een concurrent als architect of als ruimtelijk planner verantwoordelijk is voor de opmaak van een vergunningsaanvraag, een aanvraag tot een attest of een plan van aanleg, ruimtelijk uitvoeringsplan, ruimtelijk structuurplan of ruimtelijk beleidsplan, grijpt de bespreking, de beraadslaging en de stemming niet aan om ongefundeerde kritiek te uiten of het dossier te dwarsbomen. In sommige gevallen kan het aangewezen zijn geen standpunt in te nemen of geen stem ten gunste of ten ongunste uit te brengen.
De leden van de commissies voor ruimtelijke ordening aanvaarden geen geschenken, gunsten of geld die op enigerlei wijze te maken hebben met het lidmaatschap van de betrokken commissie.
Artikel 16.3. Objectiviteit
De leden van de commissies voor ruimtelijke ordening laten zich bij de uitoefening van hun mandaat niet leiden door eigen partijpolitieke voorkeuren of door motieven die te maken hebben met ras, herkomst, overtuiging of seksuele geaardheid van de betrokkenen in een dossier.
De leden van de commissies voor ruimtelijke ordening aanvaarden geen beïnvloeding of poging tot beïnvloeding in dossiers. Zonodig brengen zij de commissievoorzitter op de hoogte.
Zij onthouden zich ervan om bij mandatarissen of bij burgers de indruk te wekken dat het advies te danken is aan hun individuele inbreng of houding in de commissie.
Artikel 16.4. Discretie en spreekrecht - Relatie met de media
De leden van de commissies voor ruimtelijke ordening delen de inhoud van besprekingen in besloten zitting en het verloop van de stemmingen in de commissie niet mee aan de media. Zij onthouden zich van (publieke) commentaren op de werkzaamheden van de commissie in concrete dossiers.
Vragen om informatie of afschriften van verslagen en adviezen worden behandeld conform de regelgeving inzake de openbaarheid van bestuur.
De leden van de commissies voor ruimtelijke ordening hebben het recht om na de eindberaadslaging door de commissie, onder meer tegenover de media, een eigen standpunt in te nemen over dossiers of over de werking van de commissie, voor zover daarbij :
1° duidelijk is dat het betrokken lid in eigen naam spreekt of voor rekening van de belangengroep waarvoor hij als vertegenwoordiger in de commissie zetelt;
2° niet aangegeven wordt wie welke andere of gelijke standpunten ingenomen heeft tijdens commissievergaderingen;
3° eventuele algemene kritiek op de werking van de commissie, onverminderd het gestelde in artikel 8, eerste lid, gereserveerd wordt gebracht;
4° het recht op privacy van betrokkenen in dossiers of het vertrouwelijk karakter van gegevens niet in het gedrang wordt gebracht.
Artikel 16.5. Verantwoord omgaan met vertrouwelijke informatie en voorzieningen of kredieten ter beschikking gesteld door het commissiesecretariaat of het bestuur
De leden van de commissies voor ruimtelijke ordening nemen de nodige voorzorgen om te vermijden dat persoonlijke gegevens of gevoelige informatie in handen vallen van buitenstaanders.
De leden van de commissies voor ruimtelijke ordening maken geen oneigenlijk gebruik van voorzieningen of faciliteiten die door het commissiesecretariaat of het bestuur ter beschikking worden gesteld met het oog op het uitoefenen van hun mandaat, zoals bijvoorbeeld toegang tot beveiligde sites.
In zoverre de commissie beschikt over werkingsmiddelen die bedoeld zijn om individueel gemaakte kosten van leden van de commissies voor ruimtelijke ordening te vergoeden, geven de leden alleen kosten aan die werkelijk zijn gemaakt in de uitoefening van hun mandaat. Zij geven geen kosten aan die reeds op een andere manier worden vergoed, bijvoorbeeld door hun werkgever of door de vereniging die hen voor de commissie heeft afgevaardigd.
Artikel 16.6. Motivatie en betrokkenheid - Goede werking van de commissie
De leden van de commissies voor ruimtelijke ordening spannen zich in om de vergaderingen van de commissie zoveel als mogelijk bij te wonen en een actieve inbreng te hebben.
Effectieve leden brengen bij verhindering tijdig het secretariaat en het plaatsvervangend lid op de hoogte.
Plaatsvervangende leden doen, voor wat betreft de vergaderingen waarvoor zij niet zetelen in de plaats van een effectief lid, het nodige om op de hoogte te blijven van de werkzaamheden. Het secretariaat van de commissie draagt hiertoe bij
De leden van de commissies voor ruimtelijke ordening spannen zich in om kennis te vergaren over de ruimtelijke ordening en op de hoogte te blijven van evoluties in het vakgebied.
De voorzitter zorgt ervoor dat alle standpunten en argumenten aan bod kunnen komen. De leden van de commissies voor ruimtelijke ordening geven de voorzitter daartoe de nodige ruimte.
De leden spannen zich in om tegenstellingen te overbruggen en samen tot afgewogen adviezen van de commissie te komen. Zij vermijden zoveel als mogelijk polarisatie bij de besprekingen en beraadslagingen.
De voorzitter bewaakt het onderscheid tussen enerzijds de toelichting en bespreking van een onderwerp of van de onderwerpen en anderzijds de beraadslaging en eventuele stemming over het advies.
Hij houdt de hand aan de reglementering met betrekking tot de aanwezigheid van externen. Deze reglementering bepaalt dat externen (bijvoorbeeld deskundigen die een toelichting komen verstrekken, of bij een gemeentelijke commissie de vertegenwoordigers van de fracties) de beraadslaging en stemming niet (meer) kunnen bijwonen, behalve als de vergadering openbaar is. In dat laatste geval kunnen de externen nog wel aanwezig blijven, maar niet langer deelnemen.
Artikel 16.7. Handhaving van de deontologische code
De voorzitter ziet toe op de goede naleving van deze deontologische code en vervult ter zake een voorbeeldfunctie.
Artikel 17: Varia
Een exemplaar van onderhavig huishoudelijk reglement en de deontologische code wordt ter beschikking gehouden tijdens alle vergaderingen van de commissie en eventuele werkgroepen.
Tevens wordt een exemplaar van onderhavig reglement en deontologische code digitaal bezorgd aan elk lid van de Omgevingsraad en aan de secretaris.
De gemeente kan op aanvraag middelen voor de leden van de Omgevingsraad voorzien om hun kennis en vaardigheden te versterken. Deze opleidingen en vormingen moeten minstens 30 dagen op voorhand aangevraagd worden en goedgekeurd worden door het college van burgemeester en schepenen.
HOOFDSTUK 6: Inwerkingtreding
Artikel 19: Inwerkingtreding
Dit reglement heft het voorgaande huishoudelijke reglement op en treedt in werking op 1 januari 2026.
Het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017 en in het bijzonder op artikel 40 inzake de bevoegdheid van de gemeenteraad, en latere wijzigingen.
Het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking (hierna kortweg “DIS”).
De laatst gecoördineerde statuten van Vlotter.
Het feit dat de gemeente aangesloten is bij Vlotter.
Het gemeenteraadsbesluit inzake de aanduiding van de vertegenwoordiger van de gemeente voor alle (buitengewone) algemene vergaderingen van Vlotter gedurende deze legislatuur.
De oproepingsbrief van 5 december 2025 tot de buitengewone algemene vergadering van Vlotter d.d. dinsdag 06 januari 2026 om 19u in de vergaderzaal van Vlotter Facilities, Tunnelweg 1 te 2845 Niel, met de volgende agendapunten:
1. Ontslag commissaris-bedrijfsrevisor boekjaren 2022, 2023 en 2024
2. Benoeming commissaris-bedrijfsrevisor boekjaren 2025.2026 en 2027
De gemeenteraad neemt kennis van de dagorde van deze vergadering en stelt het stemgedrag van de gemeentelijke vertegenwoordiger vast, conform de bepalingen van het Decreet Lokaal Bestuur.
De gemeenteraad heeft de bijhorende documenten met betrekking tot de vermelde agendapunten onderzocht.
Er zijn geen redenen om de goedkeuring van de voorgelegde agendapunten te weigeren.
Goedkeuring te verlenen aan de agendapunten van de buitengewone algemene vergadering van Vlotter d.d. dinsdag 06 januari 2026 om 19u in de vergaderzaal van Vlotter Facilities, Tunnelweg 1 te 2845 Niel.
1. Ontslag commissaris-bedrijfsrevisor boekjaren 2022, 2023 en 2024
2. Benoeming commissaris-bedrijfsrevisor boekjaren 2025.2026 en 2027
Artikel 2
De gemeentelijke vertegenwoordiger wordt gemandateerd om op de algemene vergadering van Vlotter d.d. dinsdag 06 januari 2026 (of iedere andere datum waarop deze uitgesteld of verdaagd zou worden) te handelen en te beslissen conform dit besluit.
Artikel 3
Het college van burgemeester en schepenen wordt gelast met de uitvoering van dit besluit en in het bijzonder met het in kennis stellen daarvan aan Vlotter.