De gemeenteraad besloot akkoord te gaan met de verlenging van het gemeentelijk reglement op de leegstand van gebouwen en woningen voor de aanslagjaren 2026-2031. Het reglement legt de voorwaarden, vrijstellingen en tarieven vast voor de heffing op leegstaande woningen en gebouwen, met bijzondere aandacht voor collectieve renovatieprojecten en sociale wooninitiatieven. Het ontwerp wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad.
De grondwet, in het bijzonder artikel 170 §4;
Het decreet betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen van 30/5/2008;
Decreet over het lokaal bestuur van 22/12/2017;
Gecodificeerd Decreet over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17/7/2020 (citeeropschrift: "Vlaamse Codex Wonen van 2021"), inzonderheid boek 2, deel 2, titel 3 “leegstandsregister”;
Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen van 2020, genomen op 11/9/2020 (citeeropschrift: Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021), inzonderheid boek 2, deel 2, titel 4, hoofdstuk 2, art. 2.14;
Gemeenteraadsbeslissing betreffende de intergemeentelijke samenwerking met Igean en de dienstverlening die optreedt als zelfstandige groepering ter ondersteuning van het lokaal bestuur van 15/9/2025;
Het gemeentelijk reglement op de leegstand van gebouwen en woningen, indicatie en registratie, zoals laatst gewijzigd;
Het gemeentelijk reglement op de leegstand van gebouwen en woningen, vaststelling van de gemeentebelasting voor de dienstjaren 2020-2025, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 16/12/2019;
Het huidige gemeentelijke belastingreglement op de leegstand van gebouwen en woningen loopt af op 31 december 2025. Om de heffing ook na deze datum te kunnen blijven toepassen, is een verlenging van het reglement noodzakelijk.
Het nieuwe ontwerp van reglement beoogt een verlenging van de bestaande heffing op leegstaande gebouwen en woningen voor de periode 2026-2031. Daarbij werd rekening gehouden met recente juridische inzichten, onder meer met betrekking tot de vrijstellingen voor sociale woonorganisaties. Deze vrijstellingen worden herwerkt en verruimd, onder andere met het oog op collectieve renovatieprojecten. Het reglement bepaalt de belastbare basis, definities, toepassingsvoorwaarden, vrijstellingen, tarieven en procedurele bepalingen inzake bezwaar en invordering.
Artikel 1: Heffingstermijn : belastbaar voorwerp
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een jaarlijkse gemeentebelasting gevestigd op de leegstaande gebouwen en woningen.
Artikel 2: Definities
§1. Voor de toepassing van dit reglement gelden onder meer de begripsomschrijvingen van het artikel 1.3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
§2. Voor de toepassing van dit reglement wordt specifiek volgende definitie verstaan onder:
1° Administratie: de gemeentelijke administratieve eenheid die door de gemeenteraad belast wordt met de opmaak en de opbouw van het leegstandsregister;
2° Bedrijfsruimte: de verzameling van alle percelen waarop zich minstens één bedrijfsgebouw bevindt, als één geheel te beschouwen en waar een economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt. Deze verzameling heeft een minimale oppervlakte van 5 aren.
Een bedrijfsruimte wordt nooit als een leegstaand gebouw of als een leegstaande woning beschouwd.
De bedrijfsruimten die op grond van artikel 2, 1°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten worden uitgesloten van de toepassing van voormeld decreet, worden onder de aldaar vermelde voorwaarden evenmin als leegstaande gebouwen of woningen in de zin van deze afdeling beschouwd;
3° Beroepsinstantie: het college van burgemeester en schepenen;
4° Beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijzen:
- een aangetekend schrijven;
- een afgifte tegen ontvangstbewijs;
- elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
5° Gebouw: elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, met uitsluiting van bedrijfsruimten, vermeld in artikel 2,1° van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, zoals vermeld in art. 1.3, §1, lid 14 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
De functie van het gebouw is deze die overeenkomt met een voor het gebouw of voor gedeelten daarvan afgeleverde of gedane stedenbouwkundige vergunning, omgevingsvergunning of melding in de zin van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of het omgevingsvergunningsdecreet. Bij een gebouw waarvoor geen vergunning of melding voorhanden is of waarvan de functie niet duidelijk uit een vergunning of melding blijkt, wordt deze functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van het gebouw voorafgaand aan het vermoeden van leegstand, zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden.
Een gebouw dat in hoofdzaak gediend heeft voor een economische activiteit, vermeld in artikel 2, 2° van het decreet bedrijfsruimten, wordt niet beschouwd als leegstaand zolang de oorspronkelijke beoefenaar van deze activiteit een gedeelte van het gebouw bewoont en dat gedeelte niet afsplitsbaar is. Een gedeelte is eerst afsplitsbaar indien het na slopen van de overige gedeelten kan worden beschouwd als een afzonderlijke woning die voldoet aan de bouwfysische vereisten;
6° Leegstaand gebouw: Gebouw waarvan meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte niet overeenkomstig de functie van het gebouw wordt aangewend gedurende een periode van ten minste twaalf opeenvolgende maanden. Hierbij wordt geen rekening gehouden met woningen die deel uitmaken van het gebouw.
7° Leegstaande woning: woning die gedurende een periode van ten minste 12 opeenvolgende maanden niet aangewend wordt in overeenstemming met de woonfunctie, die blijkt uit een omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning die voor die woning is uitgereikt. Bij een woning waarvoor er geen vergunning of melding is, of waarvan de functie niet duidelijk blijkt uit een vergunning of melding, wordt de functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van de woning dat voorafging aan het vermoeden van leegstand, zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden;
8° Leegstand bij nieuwbouw: Een nieuw gebouw of een nieuwe woning wordt als een leegstaand gebouw of een leegstaande woning beschouwd indien dat gebouw of die woning binnen zeven jaar na de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning in laatste administratieve aanleg niet aangewend wordt overeenkomstig zijn functie;
9° Leegstandsregister: Het gemeentelijk register van leegstaande gebouwen en woningen als vermeld in art 2.9 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
10° Woning: elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande, zoals vermeld in art. 1.3, §1, lid 66 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
11° Zakelijk gerechtigde: de houder van één van de volgende zakelijke rechten:
- de volle eigendom;
- het recht van opstal of van erfpacht;
- het vruchtgebruik;
Artikel 3: Leegstandsregister
§1. De administratie houdt een leegstandsregister bij. Het register leegstand bestaat uit twee afzonderlijke lijsten:
- een lijst “leegstaande gebouwen”;
- een lijst “leegstaande woningen”;
Een woning die opgenomen is in de inventaris “ongeschikte en/of onbewoonbaar verklaarde woningen” wordt niet opgenomen in het register leegstand, in overeenstemming met artikel 2.13 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
Een gebouw dat of een woning die geïnventariseerd is als verwaarloosd, kan eveneens opgenomen worden in het leegstandsregister, en omgekeerd.
§2. In elke inventaris worden minimaal de volgende gegevens opgenomen :
1° het adres van de leegstaande woning of het leegstaande gebouw;
2° de kadastrale gegevens van de leegstaande woning of gebouw;
3° de identiteit en het adres van de zakelijk gerechtigde(n);
4° het nummer en de datum van de administratieve akte;
5° de indicatie of indicaties die aanleiding hebben gegeven tot de opname.
Artikel 4: Belastingplichtige
§1. De belastingplichtige is de houder van het zakelijk recht betreffende het leegstaande gebouw of de leegstaande woning, op het ogenblik dat de belasting van het aanslagjaar verschuldigd is.
Ingeval er een recht van opstal, erfpacht of vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door de houder van dat zakelijk recht van opstal, van erfpacht of van vruchtgebruik op het ogenblik dat de belasting van het aanslagjaar verschuldigd is.
§2. Indien er meerdere belastingplichtigen zijn, zijn deze allen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.
§3. In geval van overdracht van het zakelijk recht moet de overdrager van het zakelijk recht de verkrijger ervan in kennis stellen dat het goed is opgenomen in het leegstandsregister.
Tevens moet hij, per beveiligde zending, een kopie van de notariële akte of notarieel attest bezorgen aan de gemeente, binnen twee maanden na het verlijden van de notariële akte. Deze kopie of dit attest bevat minstens de volgende gegevens:
- naam en adres van de verkrijger van het zakelijk recht en zijn eigendomsaandeel;
- datum van de akte, naam en standplaats van de notaris;
- nauwkeurige aanduiding van de overgedragen woning of het gebouw;
Bij ontstentenis van deze kennisgeving wordt de overdrager van een zakelijk recht, in afwijking van §1, als belastingplichtige beschouwd voor de eerstvolgende belasting die na de overdracht van het zakelijk recht wordt gevestigd.
§2. Bij toekenning van zakelijke rechten als vruchtgebruik, erfpacht of recht van opstal, dient de naakte eigenaar dezelfde procedure te volgen omschreven in §3.
Artikel 5: Berekeningsgrondslag en tarieven
§1. Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een jaarlijkse gemeentebelasting gevestigd op de gebouwen en woningen die gedurende minstens twaalf opeenvolgende maanden zijn opgenomen in het gemeentelijk leegstandsregister.
§2. Zolang het gebouw of de woning niet uit het leegstandsregister is geschrapt, is telkens een heffing verschuldigd op het ogenblik dat een nieuwe periode van twaalf maanden - vanaf de datum van opname in het leegstandsregister – wordt aangevat, tenzij de belastingplichtige op dat ogenblik een vrijstelling geniet, zoals opgesomd in art. 6 §2.
§3. Indien de belastingplichtige voor het pand, opgenomen op de inventaris leegstand, met bijhorende toegekende dossiernummer, een eerste maal belasting verschuldigd is, bedraagt deze het basisbedrag, zijnde 2.400 euro voor een leegstaande woning of (gedeeltelijk) leegstaand gebouw.
Indien de belastingplichtige voor het pand, opgenomen op de inventaris leegstand, met bijhorende toegekende dossiernummer, een tweede maal belasting verschuldigd is, bedraagt deze het vervolgbedrag, zijnde 4.800 euro voor een leegstaande woning of (gedeeltelijk) leegstaand gebouw.
Indien de belastingplichtige voor het pand, opgenomen op de inventaris leegstand, met bijhorende toegekende dossiernummer, een derde of volgende maal belasting verschuldigd is, bedraagt deze het maximale bedrag, zijnde: 9.600 euro voor een leegstaande woning of (gedeeltelijk) leegstaand gebouw.
§4. In afwijking van §3 wordt de belastingplichtige die - bij overdracht van onroerend goed of toekenning van zakelijke rechten - geen aanspraak kan maken op de vrijstelling betreffende overdracht van onroerend goed of toekenning van zakelijke rechten zoals geformuleerd in art. 6 §2 derde lid van dit reglement, niet beschouwd als een belastingplichtige die slechts voor de eerste maal een heffing verschuldigd is. Het bedrag van de heffing wordt dus niet automatisch gereduceerd tot het basisbedrag; in dergelijk geval wordt gekeken naar de laatste heffing die de voorgaande belastingplichtige, die wel aanspraak kon maken op de vrijstelling wegens overdracht van onroerend goed of toekenning van zakelijke rechten zoals omschreven in art. 6 §2 derde lid van dit reglement, schuldig was. Deze voorgaande belastingplichtige wordt aldus de referentiebelastingplichtige:
- indien de referentiebelastingplichtige nog geen heffing verschuldigd was, is de belastingplichtige het basisbedrag verschuldigd;
- indien de referentiebelastingplichtige reeds het basisbedrag verschuldigd was, is de belastingplichtige het vervolgbedrag verschuldigd;
- indien de referentiebelastingplichtige reeds het vervolgbedrag (en eventueel maximale bedrag) verschuldigd was, is de belastingplichtige het maximale bedrag verschuldigd;
§3. Indien er meerdere belastingplichtigen zijn, en de verschuldigde bedragen, zoals vermeld in §3, variëren per belastingplichtige, wordt de totale belastingschuld gelijkgesteld aan het hoogste bedrag. De belastingplichtigen zijn allen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van deze totale belastingschuld, overeenkomstig art. 4 §2 van dit reglement.
Artikel 6: Vrijstelling en tijdelijke schorsing van de leegstandsheffing
§1. Een vrijstelling van belasting wordt toegekend mits voldaan aan de voorwaarden tot het bekomen van één van de mogelijke vrijstellingen zoals bepaald in §2. Een vrijstelling wordt schriftelijk, met toevoeging van de nodige bewijsstukken, aan de administratie aangevraagd. Hierbij wordt verplicht gebruik gemaakt van het modelformulier aangereikt door de administratie. Bij twijfel over de ontvangst van de aanvraag draagt de aanvrager de bewijslast.
De administratie neemt een beslissing binnen een termijn van orde van twee maanden na de ontvangst van het verzoek. Indien geen beslissing wordt genomen binnen de termijn van orde, wordt de aanvraag geacht afgewezen te zijn.
§2. Volgende vrijstellingen, met desgevallend bijhorende beperkte vrijstellingsperiode, worden toegekend:
1° Vrijstelling indien de belastingplichtige of één van de belastingplichtigen als natuurlijk persoon de laatste bewoner was van de leegstaande woning én die natuurlijk persoon bij opname van het pand in het leegstandsregister in een erkende ouderenvoorziening of erkende zorginstelling verblijft. Het bewijs hiervan wordt afgeleverd door de ouderenvoorziening of zorginstelling. De vrijstelling kan ook ambtshalve worden toegekend indien de verhuisbeweging naar de erkende ouderenvoorziening of erkende zorginstelling blijkt uit de woonhistoriek van de betrokkene.
Deze vrijstelling geldt voor een periode van één jaar ingaand vanaf de datum van opname in het leegstandsregister.
2° Vrijstelling indien de handelingsbekwaamheid van de belastingplichtige of één van de belastingplichtigen beperkt werd ingevolge een gerechtelijke beslissing. Het bewijs hiervan wordt geleverd door het voorleggen van de betreffende uitspraak.
Deze vrijstelling geldt voor een periode van één jaar vanaf de datum van de betreffende uitspraak.
3° Vrijstelling aan de belastingplichtige die bij notariële akte een zakelijk recht op het gebouw of de woning heeft bedongen, met dien verstande dat deze vrijstelling niet geldt bij overdracht van onroerend goed of toekenning van zakelijke rechten aan:
- bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad, tenzij ingeval van overdracht bij erfopvolging of testament;
- vennootschappen of verenigingen waarin (minstens één van) de vroegere zakelijk gerechtigde(n) rechtstreeks of onrechtstreeks participeert;
- natuurlijke of rechtspersonen die vóór de datum van de betreffende notariële akte reeds een ander zakelijk recht op het onroerend goed konden laten gelden, behalve indien de naakte eigenaar volle eigenaar of mede-eigenaar van het onroerend goed is geworden ten gevolge van overdracht bij erfopvolging of testament;
Deze vrijstelling geldt voor een periode van twee jaar vanaf de datum van de betreffende notariële akte.
Indien bij overdracht van onroerend goed of toekenning van zakelijke rechten een onderhandse akte werd ondertekend, resulteert dit in een tijdelijke schorsing van de heffing. De tijdelijke schorsing kan alleen worden toegekend bij overdracht van onroerend goed of toekenning van zakelijke rechten aan een natuurlijk of rechtspersoon die aanspraak kan maken op de vrijstelling zoals omschreven in dit lid. Indien de onderhandse akte hieromtrent meerdere personen vermeldt, dienen zij allen aanspraak te kunnen maken op de betreffende vrijstelling. Enkel indien de authentieke akte gebaseerd op deze onderhandse akte binnen vier maanden wordt verleden, wordt de schorsing van de heffing omgezet in een vrijstelling voor de toenmalige belastingplichtige, zijnde de voormalige houder van de zakelijke rechten.
4° Vrijstelling indien de belastingplichtige of één van de belastingplichtigen een door de Vlaamse overheid erkende woonmaatschappij is, een centrum voor algemeen welzijnswerk, een autonoom gemeentebedrijf, de gemeente, het OCMW, een intercommunale waarin het lokaal bestuur Aartselaar participeert of, algemeen, een vereniging zonder winstoogmerk is en deze organisatie de woning of het gebouw aanwendt om een maatschappelijk belangrijke taak te vervullen met betrekking tot wonen of opvang. De vrijstelling wordt ook toegekend aan de belastingplichtige(n) indien het onroerend goed wordt verhuurd aan één van de organisaties vermeld in dit lid, mits de belastingplichtige een huurcontract en bewijs van registratie van de huurovereenkomst kan voorleggen.
Een maatschappelijk belangrijke taak is een initiatief ten dienste van het welzijn van de inwoners van Aartselaar en ten dienste van het gemeentelijk belang, in overeenstemming met art. 2 §1 en §2 van het decreet over het lokaal bestuur van 22/12/2017.
In tegenstelling tot de bepalingen vermeld in §1, wordt deze vrijstelling aangevraagd aan het college van burgemeester en schepenen, dat beoordeelt of de activiteit voldoet aan de bepalingen in dit lid en aldus beslist of een vrijstelling gerechtvaardigd is. Alle overige modaliteiten vermeld in §1, met onder meer de wijze van vrijstellingsaanvraag en de vermelde termijn van orde, blijven van kracht. Een vrijstelling kan niet worden toegekend indien de aanwending van het gebouw of woning indruist tegen de bepalingen vermeld in het Gecodificeerd Decreet Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15/5/2009.
Deze vrijstelling wordt slechts voor een beperkte tijdsduur toegekend, desgevallend vermeld in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen.
Indien een akkoord of voorakkoord tot een overeenkomst werd ondertekend met een rechtspersoon die aanspraak kan maken op een vrijstelling zoals omschreven in dit lid, resulteert dit in een tijdelijke schorsing van de heffing. Indien het (voor)akkoord meerdere personen als toekomstige huurders of eigenaars vermeldt, dienen zij allen aanspraak te kunnen maken op de betreffende vrijstelling zoals omschreven in dit lid. Enkel indien dit voorakkoord leidt tot een geregistreerde huurovereenkomst of notariële akte en een toegekende vrijstelling door het college van burgemeester en schepenen, wordt de schorsing van de heffing omgezet in een vrijstelling voor de houder van de zakelijke rechten.
5° Vrijstelling aan de belastingplichtige(n) indien het gebouw of de woning gelegen is binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan en de woning is aangeduid als te onteigenen goed.
6° Vrijstelling aan de belastingplichtige(n) indien het gebouw of de woning geen voorwerp meer kan uitmaken van een stedenbouwkundige vergunning omdat een voorlopig of definitief onteigeningsplan is vastgesteld.
7° Vrijstelling aan de belastingplichtige(n) indien het gebouw of de woning beschermd is als monument, krachtens het decreet tot bescherming van monumenten en stads- of dorpsgezichten, of opgenomen is op een bij besluit vastgesteld ontwerp van lijst tot bescherming als monument, stads- of dorpsgezicht.
De vrijstelling wordt enkel toegekend indien op dat moment eveneens een restauratiepremiedossier bij de bevoegde overheid is ingediend en ontvankelijk werd verklaard.
8° Vrijstelling aan de belastingplichtige(n) indien het gebouw of de woning deel uitmaakt van een krachtens decreet beschermd stads- of dorpsgezicht of landschap, of van een stads- of dorpsgezicht of landschap dat opgenomen is op een bij besluit vastgesteld ontwerp van lijst tot bescherming als stads- of dorpsgezicht of landschap.
9° Vrijstelling aan de belastingplichtige(n) indien het gebouw of de woning vernield of beschadigd werd ten gevolge van een plotse ramp. Een ramp is een gebeurtenis die zich voordoet buiten de wil van de belastingplichtige, en die uiterlijk waarneembare schade veroorzaakt aan het gebouw en/of de woning, waardoor de schade zo groot is dat het normaal gebruik onmogelijk is.
Deze vrijstelling geldt gedurende een periode van twee jaar vanaf de datum van de vernieling of beschadiging.
10° Vrijstelling aan de belastingplichtige(n) wegens overmacht indien het gebouw of de woning onmogelijk daadwerkelijk gebruikt kan worden en de inventarisatie blijft aanhouden om redenen die onafhankelijk zijn van de wil van de belastingplichtige. De vrijstelling kan maar worden toegekend indien de belastingplichtige kan bewijzen dat hij – zoals een ‘goed huisvader’ – tijdig alles in het werk heeft gesteld om de ongewilde situatie op te lossen, op voorwaarde dat de ernst van de zaak de normale in gebruik name van het onroerend goed verhindert en met dien verstande dat een laattijdige verkoop nooit aanleiding kan zijn voor een vrijstelling wegens overmacht.
De vrijstelling wordt steeds toegekend voor één jaar, doch kan bij nieuwe aanvraag verlengd worden.
11° Vrijstelling indien het gebouw of de woning gerenoveerd wordt blijkens een niet vervallen omgevingsvergunning voor stabiliteitswerken/sloopwerkzaamheden of indiening van een stedenbouwkundige melding.
Deze vrijstelling geldt gedurende een termijn van vijf jaar volgend op de datum van ontvangstbewijs van de omgevingsvergunning/-melding, met dien verstande dat de vrijstelling meteen wordt ingetrokken indien de vergunning binnen deze termijn van rechtswege vervalt. Indien de vergunning wordt geweigerd of wordt goedgekeurd maar de werken worden niet aangevat binnen de vooropgestelde termijn, werd de vrijstelling nooit toegekend.
12° Vrijstelling indien de woningen of gebouwen tijdelijk leeg blijven staan om later, omwille van efficiëntieredenen, in een groter sociaal project met meerderen tegelijk gerenoveerd of herbouwd worden.
In tegenstelling tot de bepalingen vermeld in §1, wordt deze vrijstelling aangevraagd aan het college van burgemeester en schepenen. Alle overige modaliteiten vermeld in §1, met onder meer de wijze van vrijstellingsaanvraag en de vermelde termijn van orde, blijven van kracht.
Deze vrijstelling wordt slechts voor een beperkte tijdsduur toegekend, desgevallend vermeld in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen. De vrijstellingsperiode kan nooit meer bedragen dan 5 jaar vanaf de datum van toekenning.
13° vrijstelling voor een pand dat in beheer wordt gegeven aan de leegstandsbeheerder. De vrijstelling geldt pro rata het aantal maanden waarvoor een ondertekend contract kan voorgelegd worden tussen de eigenaar en de leegstandsbeheerder. Enkel leegstaande winkelpanden binnen het kernwinkelgebied kunnen gebruikmaken van deze vrijstelling. De leegstandsbeheerder wordt aangeduid door het college van burgemeester en schepenen. Indien er voor een bepaalde periode geen leegstandsbeheerder is aangeduid, kan van deze vrijstelling geen gebruik gemaakt worden.
§3. Indien de belastingplichtige op een bepaald moment aanspraak maakt op meerdere vrijstellingen, wordt die vrijstelling toegekend die op dat moment recht geeft op de langste periode van vrijstelling.
Artikel 7: Wijze van invordering
De belasting wordt ingevorderd bij wijze van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 8: Betalingstermijn
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 9: Bezwaarprocedure
De belastingschuldige kan bezwaar indienen tegen deze belasting bij het college van burgemeester en schepenen, conform artikel 9 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen.
Het bezwaarschrift moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn.
Deze indiening moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde kalenderdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet.
Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstmelding afgegeven, binnen vijftien dagen na de indiening ervan.
Artikel 10. Verwijzingsregel
De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Artikel 11. Inwerkingtreding en bekendmaking
Onderhavig reglement treedt in voege op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen. De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.