De gemeenteraad besloot tot de invoering van een belasting op het ontbreken van auto- en fietsparkeerplaatsen bij het bouwen van nieuwe gebouwen of bij bestemmingswijzigingen aan bestaande gebouwen. De belasting is van toepassing wanneer de vereiste parkeerplaatsen, zoals voorgeschreven in een stedenbouwkundige vergunning, niet worden aangelegd en geldt als compensatie voor de impact op de mobiliteit en openbare ruimte. Het reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en loopt tot en met 31 december 2031.
Artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december2017 en latere wijzigingen.
De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De grondwet, artikel 170 §4. Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals laatst gewijzigd.
De gemeentelijke stedenbouwkundige verordening op het aanleggen van parkeerplaatsen en fietsenstallingen is recent gewijzigd en vraagt een aanpassing van de gemeentebelasting op het ontbreken van parkeerplaatsen.
Dit belastingreglement vervangt de vorige belasting voor het dienstjaar 2025 dat eindigt op 31/12/2025
De belasting betreft een doelbelasting die wordt geheven in het kader van de verplichting tot het voorzien van auto- en fietsparkeerplaatsen, zoals opgelegd in stedenbouwkundige vergunningen. Wanneer het aanleggen van deze parkeerplaatsen om stedenbouwkundige redenen niet mogelijk of niet wenselijk is, wordt in een vervangende belasting voorzien. Deze regeling beoogt een billijke compensatie voor de impact die het ontbreken van parkeerplaatsen heeft op de openbare ruimte en de mobiliteit. Het reglement bepaalt de belastingplichtigen, het bedrag van de belasting, de indexatieformule, de modaliteiten van inning en de toepassingsperiode.
FINANCIËN
Budgetcode: GBB-FIN/0020-00/7373000
Artikel 1. Termijn
De belasting op het ontbreken van autoparkeerplaatsen en fietsstallingen bij het optrekken van nieuwe gebouwen en/of bij bestemmingswijzigingen aan bestaande gebouwen vangt aan op 1 januari 2026 en eindigt op 31 december 2031 en vervangt het voorgaande reglement.
Artikel 2. Belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de houder van een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd volgens de bepalingen van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening op het aanleggen van parkeerplaatsen en fietsenstallingen buiten het openbaar domein:
a) die, op grond van deze vergunning, ontheven wordt van de verplichting of in de onmogelijkheid verkeert één of meer van de in de stedenbouwkundige vergunning voorgeschreven auto en/of fietsparkeerplaatsen aan te leggen;
b) die één of meer van de in de stedenbouwkundige vergunning verplicht aan te leggen auto en/of fietsparkeerplaatsen niet heeft aangelegd;
§2. De belasting is eveneens verschuldigd door de eigenaar die een andere bestemming geeft aan auto- en/of fietsparkeerplaatsen, welke voor een stedenbouwkundige vergunning in aanmerking kwamen, voor de berekening van het aantal nodige auto- en/of fietsparkeerplaatsen en in zoverre de inrichting blijft bestaan waaraan deze parkeerplaatsen verbonden zijn.
Artikel 3.Betaling
De belasting is verschuldigd ten laatste 6 maanden na de definitieve vaststelling van het aantal ontbrekende auto- en/of fietsparkeerplaatsen. Deze definitieve vaststelling gebeurt onmiddellijk na het verlenen van de uitvoerbare (vrij van beroepsmogelijkheden) omgevingsvergunning of wanneer wordt vastgesteld dat de houder van een omgevingsvergunning één of meer in zijn omgevingsvergunning begrepen auto- en/of fietsparkeerplaatsen niet heeft aangelegd of er een andere bestemming heeft aan gegeven.
Voor bestemmingswijzigingen geldt het ogenblik dat de bestemming van een aangelegde parkeerplaats gewijzigd wordt;
Artikel 4. Belastingbedrag
De belasting bedraagt 7.500 euro per ontbrekende autoparkeerplaats en 1.500 euro per ontbrekende fietsparkeerplaats.
Artikel 5. Indexatie
De bedragen vermeld in deze verordening zijn gekoppeld aan de gezondheidsindex en zullen jaarlijks en van rechtswege worden aangepast op 1 januari. De aanpassing gebeurt volgens de volgende formule: Aangepast bedrag = (basisbedrag x nieuw indexcijfer)/basisindexcijfer. De basisbedragen zijn de bedragen vermeld in deze verordening. Als nieuw indexcijfer geldt de gezondheidsindex van december voorafgaand aan die van de aanpassing van het bedrag. Als basisindexcijfer geldt het indexcijfer vanaf januari 2026.
Artikel 6. Invordering
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 7. Verwijzingsregel
De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Artikel 8. Inwerkingtreding en bekendmaking
Onderhavig reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december2017 en latere wijzigingen.
De bekendmaking van dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.